De rechtbank Rotterdam behandelde op 11 juli 2023 het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen. De moeder, belast met het ouderlijk gezag, kampte met een psychose die inmiddels in remissie is. De kinderen verblijven momenteel in een pleeggezin en logeren regelmatig bij de moeder.
De Raad verzocht aanvankelijk om een ondertoezichtstelling van een jaar en een uithuisplaatsing van zes maanden, waarvan drie maanden direct en drie maanden uitgesteld. De gecertificeerde instelling stemde in met het gewijzigde verzoek. De moeder stemde in met de ondertoezichtstelling, maar voerde verweer tegen de lange duur van de uithuisplaatsing, gezien haar verbeterde gezondheidssituatie en de regelmatige bezoeken van de kinderen.
De kinderrechter oordeelde dat aan de wettelijke eisen voor ondertoezichtstelling was voldaan en stelde de kinderen voor de duur van twaalf maanden onder toezicht. De machtiging tot uithuisplaatsing werd beperkt tot twee maanden, omdat de psychose van de moeder in remissie is en de overige zorgen met ondertoezichtstelling en opvoedondersteuning kunnen worden aangepakt. Het verzoek om een langere uithuisplaatsing werd afgewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.