ECLI:NL:RBROT:2023:6260
Rechtbank Rotterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot opheffing onderbewindstelling wegens schulden en belangen minderjarige kinderen
Betrokkene verzocht om opheffing van de onderbewindstelling die op haar eigen verzoek was ingesteld als voorwaarde voor schuldhulpverlening. De kantonrechter oordeelde dat ondanks het verzoek de onderbewindstelling gehandhaafd blijft vanwege een aanzienlijke schuldenlast van bijna €50.000 en het feit dat betrokkene nauwelijks afloscapaciteit heeft door haar uitkering.
Betrokkene zorgt voor twee minderjarige kinderen van 9 en 17 jaar die bij haar wonen. In het verleden leidde haar schuldenproblematiek al tot een huisuitzetting, waardoor zij met haar kinderen op straat kwam te staan. De beschermingsbewindvoerder begeleidt betrokkene richting de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP), wat uitzicht biedt op een permanente oplossing van de schulden.
Hoewel betrokkene liever zelf haar schulden zou regelen, is dit zonder afloscapaciteit niet haalbaar. Toelating tot de WSNP kan haar binnen 18 maanden schuldenvrij maken. Gezien het belang van de minderjarige kinderen en de situatie van betrokkene is het verzoek tot opheffing afgewezen. De kantonrechter stelt dat het belang van de kinderen voorop staat, conform artikel 3 van Pro het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van de onderbewindstelling wordt afgewezen vanwege de schuldenlast en het belang van de minderjarige kinderen.