ECLI:NL:RBROT:2023:5491

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 februari 2023
Publicatiedatum
27 juni 2023
Zaaknummer
C/10/650065 / JE RK 22-3002
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht op 21 december 2022 om verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2006. De kinderrechter behandelde de zaak op 15 februari 2023 met gesloten deuren, waarbij de moeder, stiefvader en een vertegenwoordiger van de GI aanwezig waren, terwijl de minderjarige niet verscheen.

De minderjarige verblijft momenteel op een leefgroep en staat op het punt te verhuizen naar een nieuwe woonvorm die meer zelfstandigheid biedt. De moeder en stiefvader gaven aan tevreden te zijn met de vooruitgang en ondersteunen het verzoek tot verlenging. De GI benadrukte het belang van continuïteit in de zorg en het behoud van het huidige beleid.

De kinderrechter oordeelde dat aan de wettelijke criteria van artikel 1:255 BW Pro is voldaan en verlengde zowel de ondertoezichtstelling als de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar tot 20 februari 2024. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het hoger beroep werd mogelijk gesteld.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige zijn verlengd tot 20 februari 2024.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/650065 / JE RK 22-3002
Datum uitspraak: 15 februari 2023
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
betreffende

[naam kind01] , geboren op [geboortedatum01] 2006 te [geboorteplaats01] ,

hierna te noemen: [naam kind01] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[naam01] en [naam02] ,

hierna te noemen: de moeder en de stiefvader, wonende te [woonplaats01] ,

Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 21 december 2022, ingekomen bij de griffie op 23 december 2022.
Op 15 februari 2023 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden en heeft de kinderrechter de zaak met gesloten deuren behandeld. Verschenen zijn:
- de moeder en de stiefvader;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam03] .
Opgeroepen en niet verschenen is [naam kind01] .

De feiten

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [naam kind01] .
[naam kind01] verblijft op de leefgroep van Enver.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 16 maart 2022 de ondertoezichtstelling van [naam kind01] verlengd tot 20 februari 2023.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 16 maart 2022 de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind01] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 20 februari 2023.

Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [naam kind01] te verlengen voor de duur van een jaar. Tevens verzoekt de GI een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind01] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. Het is belangrijk dat de plek voor [naam kind01] en het beleid zoals dat is uitgezet met de overstap naar een nieuwe woongroep behouden blijft. De GI vindt het jammer het dat het gezin ontevreden is over de jeugdzorg, maar gelet op wat de ouders op zitting vertellen snapt de GI dit ook.

Het standpunt van de belanghebbenden

De moeder heef ter zitting het volgende standpunt kenbaar gemaakt. [naam kind01] gaat morgen verhuizen naar een andere woonvorm. De moeder zoekt [naam kind01] wekelijks op om samen te eten of iets leuks te doen. De moeder ziet dat [naam kind01] is gegroeid de laatste tijd. [naam kind01] wil graag een HBO-opleiding doen om uiteindelijk in de jeugdzorg te gaan werken. Zij wil haar ervaring inzetten om anderen te helpen. De moeder staat achter het verzoek van de GI en wil niet terug naar het wijkteam vanwege slechte ervaringen.
De stiefvader heeft ter zitting kenbaar gemaakt trots te zijn op de vooruitgang die [naam kind01] laat zien. [naam kind01] is een stuk rustiger geworden. Er zijn veel jeugdbeschermers betrokken geweest en de stiefvader is niet positief over de GI. Desondanks staat hij achter het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling.

De beoordeling

Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat alle partijen het eens zijn met het verzoek. [naam kind01] ontwikkelt zich positief op de plek waar zij nu zit. Zij gaat morgen verhuizen naar een nieuwe woonvorm waar zij meer vrijheid krijgt en dus haar zelfstandigheid zal vergroten. De ouders willen daarnaast beslist niet terug naar het wijkteam. Het is belangrijk dat de huidige situatie rondom [naam kind01] zo blijft. De
kinderrechter vindt het belangrijk dat [naam kind01] zich positief kan ontwikkelen en zal het
verzoek van de GI dan ook toewijzen.
Er is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [naam kind01] verlengen voor de duur van een jaar (artikel 1:260, eerste lid, BW). Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind01] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW). De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind01] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengen door de duur van een jaar.

De beslissing

De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [naam kind01] tot 20 februari 2024;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind01] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 20 februari 2024;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2023 door mr T. van den Akker, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. V. Versteeg, als griffier en schriftelijk vastgesteld op 1 maart 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.