De rechtbank Rotterdam behandelde een kort geding waarin eiseres vorderde dat CMIB B.V. een bedrag van € 869,43 terugbetaalt, vermeerderd met wettelijke rente, wegens onverschuldigde betaling. Tevens vorderde zij een schadevergoeding van € 1.182,70 wegens onrechtmatige incasso en het niet respecteren van de beslagvrije voet.
Eiseres was bij verstek veroordeeld tot betaling van € 79,10 plus bijkomende kosten. CMIB had vervolgens via beslag op haar uitkering het bedrag van € 869,43 geïncasseerd. Eiseres betwistte de grondslag van het beslag en stelde dat het beslag onrechtmatig was, mede omdat de beslagvrije voet niet werd gerespecteerd.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verstekvonnis in kracht van gewijsde was gegaan omdat eiseres geen verzet had ingesteld. Hierdoor had het vonnis bindende kracht en kon in deze procedure niet opnieuw op de inhoudelijke argumenten worden ingegaan. De vordering tot terugbetaling van het geïncasseerde bedrag werd daarom afgewezen.
De schadevergoeding werd eveneens afgewezen omdat eiseres niet had aangetoond welke beslagvrije voet was gehanteerd en dat zij daadwerkelijk schade had geleden door het beslag. De proceskosten werden aan eiseres opgelegd.
De rechtbank wees de vorderingen van eiseres af en veroordeelde haar in de proceskosten van CMIB ter hoogte van € 3.534,00.