Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2023:4352

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 mei 2023
Publicatiedatum
25 mei 2023
Zaaknummer
C/10/646413 / HA ZA 22-840
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 118 RvArt. 136 RvArt. 137 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating van derde partij in geding bij geschil over recht van overpad en koopovereenkomst

In deze civiele procedure tussen buren over het recht van overpad en een koopovereenkomst vordert eiser02 en eiser03 dat de rechtbank hen toestaat de echtgenote van verweerder01 als derde partij in het geding te betrekken. Dit omdat zij in reconventie de ontbinding van de koopovereenkomst willen vorderen, die mede door de echtgenote is gesloten.

De rechtbank overweegt dat de koopovereenkomst en het geschil over het recht van overpad een processueel ondeelbare rechtsverhouding vormen. Op grond van een arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:411) heeft iedere partij het recht om alle betrokkenen bij zo’n rechtsverhouding in het geding te betrekken, ongeacht wie de procedure is gestart.

De rechtbank stelt vast dat de vordering in reconventie niet per se samen hoeft te hangen met de vordering in conventie, maar in dit geval is er voldoende samenhang. De procedure wordt gesynchroniseerd zodat de eis in reconventie gelijktijdig met de conclusie van antwoord kan worden genomen.

De rechtbank wijst de incidentele vordering toe, veroordeelt verweerder01 in de proceskosten van €598 en verklaart deze uitvoerbaar bij voorraad. De zaak wordt aangehouden tot 5 juli 2023 voor verdere proceshandelingen.

Uitkomst: De rechtbank staat toe dat de echtgenote van verweerder01 als derde partij wordt opgeroepen en veroordeelt verweerder01 in de proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/646413 / HA ZA 22-840
Vonnis in incident van 24 mei 2023
in de zaak van
[eiser01],
wonende te Gorinchem,
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. J.R. van Manen te Gorinchem,
tegen

1.[gedaagde01]

en

2.
[gedaagde02],
beiden wonende te Gorinchem,
gedaagden in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
advocaat mr. D.R. Trip te Nijmegen.
Partijen zullen hierna [eiser01] en [eiser02] en [eiser03] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure tot dan toe blijkt uit het op 4 januari 2023 uitgesproken vonnis in incident tot het treffen van een voorlopige voorziening.
Na dit vonnis zijn ingediend:
  • door [eiser02] en [eiser03] : een incidentele conclusie tot oproeping ex artikel 118 Rv Pro,
  • door [eiser01] : een incidentele conclusie van antwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het door [eiser02] en [eiser03] opgeworpen incident.

2.De beoordeling in het incident

2.1.
[eiser02] en [eiser03] vorderen in het onderhavige incident dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- hen in de gelegenheid zal stellen [naam02] (hierna: “ [naam02] ”) in het geding op te roepen op de voet van artikel 118 Rv Pro;
- [verweerder01] zal veroordelen in de kosten van dit incident.
2.2.
[verweerder01] voert verweer en heeft tot afwijzing van de incidentele vordering geconcludeerd.
2.3.
Het geschil tussen partijen komt neer op het volgende.
- Partijen zijn buren van elkaar.
- [verweerder01] vordert in de hoofdzaak, kort gezegd, een verklaring voor recht dat [eiser02] en [eiser03] het aan [verweerder01] verleende recht van overpad over het perceel van [eiser02] en [eiser03] ten onrechte hebben opgezegd en dat deze opzegging nietig is althans vernietigd moet worden op grond van misbruik van bevoegdheid.
- De rechtbank heeft in het vonnis in het incident van 4 januari 2023 beslist dat het [eiser02] en [eiser03] voor de duur van het geding verboden is om het recht van overpad van [verweerder01] in de meest brede zin van het woord te belemmeren.
- [naam02] is de echtgenote van [verweerder01] .
- [verweerder01] en [naam02] hebben aan [eiser02] en [eiser03] een strook grond verkocht voor € 34.020,--, dat aan hen is geleverd in 2020.
- [eiser02] en [eiser03] zijn van plan in de hoofdzaak in reconventie de ontbinding van de met [verweerder01] en [naam02] gesloten koopovereenkomst met betrekking tot de genoemde strook grond te vorderen.
- [eiser02] en [eiser03] wensen [naam02] in het geding betrekken, zodat de ontbinding van de koopovereenkomst ook tegenover haar kan worden ingeroepen.
2.4.
De rechtbank zal de incidentele vordering van [eiser02] en [eiser03] om hen in de gelegenheid te stellen [naam02] in het geding te betrekken toewijzen. Dit oordeel berust op het volgende.
2.5.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 maart 2017 met vindplaats ECLI:NL:HR:2017:411, voor zover van belang, overwogen:
“3.5.2 Iedere partij in een procedure over een processueel ondeelbare rechtsverhouding heeft in eerste aanleg het recht jegens alle andere bij die rechtsverhouding betrokken partijen een beslissing daaromtrent te vorderen, ongeacht wie de procedure heeft aangespannen en ongeacht tegen wie de bij dagvaarding ingestelde vordering zich richt. Voorts heeft ieder van hen het recht verweer te voeren tegen een vordering met betrekking tot een processueel ondeelbare rechtsverhouding, ongeacht door en tegen wie deze is ingesteld.
(…)
3.5.5
Met betrekking tot een processueel ondeelbare rechtsverhouding geldt dus, (…), een uitzondering op de regels van de dagvaardingsprocedure (i) dat een reconventionele vordering uitsluitend kan worden ingesteld tegen degene die als wederpartij de vordering in conventie heeft ingesteld (art. 136 Rv Pro) (…). Deze uitzondering wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat meer partijen bij de rechtsverhouding zijn betrokken en het wenselijk is dat ieder van hen in één en hetzelfde geding vorderingen met betrekking tot die rechtsverhouding kan instellen en verweer tegen zulke vorderingen kan voeren, en dat daadwerkelijk één beslissing over die rechtsverhouding voor alle daarbij betrokken partijen kan worden gegeven. (…)”
2.6.
In de onderhavige zaak hebben [eiser02] en [eiser03] het voornemen geuit om in reconventie de ontbinding te vorderen van de koopovereenkomst die zij met [verweerder01] en [naam02] hebben gesloten. [verweerder01] en [naam02] waren gezamenlijk eigenaar van de verkochte strook grond. Uit de in geding gebrachte akte van levering volgt dat [verweerder01] en [naam02] destijds in gemeenschap van goederen waren gehuwd. Het verkochte viel dus in hun huwelijksgemeenschap, ieder voor de onverdeelde helft. De tussen [eiser02] en [eiser03] enerzijds en [verweerder01] en [naam02] anderzijds gesloten koopovereenkomst betreft een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Op grond van het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad hebben [eiser02] en [eiser03] er dan ook recht op dat, ook al heeft alleen [verweerder01] tegen hen een procedure aangespannen, zij ook [naam02] als partij in de procedure kunnen betrekken, zodat één beslissing zal kunnen worden gegeven over hun de vordering tot ontbinding van deze ondeelbare rechtsverhouding.
2.7.
Hieraan doet niet af dat de vordering van [verweerder01] tegen [eiser02] en [eiser03] niet de koopovereenkomst betreft, maar de vraag of [eiser02] en [eiser03] het recht van overpad van [verweerder01] mochten opzeggen. Voor het instellen van een eis in reconventie in een dagvaardingsprocedure geldt ten algemene niet als eis dat die samenhang moet hebben met de eis in conventie. Ook uit het door [verweerder01] genoemde arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2020 met vindplaats ECLI:NL:HR:2020:485 volgt niet dat voor het toestaan van een procespartij om een derde partij in reconventie in een procedure te betrekken, vast moet staan dat de reconventionele vordering samenhangt met de vordering in conventie. In dat arrest speelde de vraag of iemand die was gedagvaard door een vennootschap onder firma (een vof) een eis in reconventie kon instellen tegen de afzonderlijke vennoten van die vof, die niet als zodanig, op eigen naam, naast de vof, in die procedure waren verschenen. De Hoge Raad heeft slechts geoordeeld dat in zo’n geval aan de rechter kan worden verzocht gelegenheid te geven om op de voet van art. 118 Rv Pro die vennoten in het geding te betrekken of dat de rechter daartoe ambtshalve kan besluiten, waarbij hij heeft overwogen dat voor het geven van die gelegenheid “aanleiding [zal] kunnen bestaan” indien sprake is van samenhangende vorderingen in conventie en reconventie en de proceseconomie gediend is met afdoening van die vorderingen in dezelfde procedure. De Hoge Raad stelt dus niet als eis dat tussen de vordering in conventie en in reconventie samenhang bestaat. Overigens bestaat naar het oordeel van de rechtbank voldoende samenhang tussen de vraag of [verweerder01] nog het recht van overpad heeft (de kwestie die in conventie speelt) en de tussen [verweerder01] en [naam02] en [eiser02] en [eiser03] gesloten koopovereenkomst. De koopovereenkomst is immers gesloten na een tussen partijen gevolgd bemiddelingstraject en als onderdeel van de gemaakte afspraken om tot beëindiging van het tussen partijen bestaande geschil over onder meer het recht van overpad te komen.
2.8.
[eiser02] en [eiser03] zijn niet te laat met hun voorgenomen eis in reconventie. Een eis in reconventie moet worden ingesteld tegelijkertijd met de conclusie van antwoord in conventie in de hoofdzaak (art. 137 Rv Pro). [eiser02] en [eiser03] hebben nog geen conclusie van antwoord in conventie in de hoofdzaak genomen. In de thans te nemen beslissing zal de rechtbank een en ander synchroon laten lopen.
2.9.
[verweerder01] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [eiser02] en [eiser03] in het incident. Deze kosten worden begroot op € 598,00 (1 punt x tarief II voor een zaak van onbepaalde waarde).
2.10.
Het te wijzen vonnis zal, zoals gevorderd, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Dit betekent dat de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard.
3. De beslissing
De rechtbank
in het incident
3.1.
staat toe dat [naam02] door [eiser02] en [eiser03] tegen de rolzitting van
5 juli 2023als partij wordt opgeroepen,
3.2.
veroordeelt [verweerder01] in de proceskosten van onderhavig incident, tot op heden begroot op € 598,00,
3.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
3.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
5 juli 2023voor:
- het nemen van een conclusie van antwoord in conventie door [gedaagde01] en [gedaagde02] ,
- het instellen van een eis in reconventie door [gedaagde01] en [gedaagde02] ,
3.5.
houdt iedere nadere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. E. Molenaar en in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2023.
[2517/3152]