ECLI:NL:RBROT:2023:4208

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 mei 2023
Publicatiedatum
23 mei 2023
Zaaknummer
10236305 CV EXPL 22-37604
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 237 RvArt. 233 Rv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot terugbetaling geldlening wegens ontbreken bewijs van betaling

In deze civiele procedure bij de rechtbank Rotterdam vordert eiser terugbetaling van een geldlening van € 1.450,- die hij aan gedaagde heeft verstrekt. Gedaagde stelde dat hij het geleende bedrag reeds had terugbetaald, maar kon dit niet bewijzen. Bij tussenvonnis is gedaagde in de gelegenheid gesteld dit bewijs te leveren, maar hij heeft hier geen gevolg aan gegeven.

De rechtbank oordeelt daarom dat de vordering tot terugbetaling van het geleende bedrag toewijsbaar is. Daarnaast worden de buitengerechtelijke incassokosten toegewezen omdat aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. Ook de wettelijke rente wordt toegekend, aangezien eiser voldoende heeft gesteld en gedaagde dit niet heeft betwist. De gevorderde rente over de incassokosten wordt niet toegewezen omdat niet is aangetoond dat deze kosten aan de gemachtigde zijn betaald.

De proceskosten worden aan gedaagde opgelegd, maar deze blijven beperkt vanwege de toevoeging van eiser. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Hiermee komt een einde aan de procedure waarin gedaagde ongelijk krijgt en veroordeeld wordt tot betaling van het geleende bedrag vermeerderd met rente en incassokosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 1.713,18 met rente en proceskosten; vordering wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 10236305 CV EXPL 22-37604
datum uitspraak: 12 mei 2023
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser01],
woonplaats: [woonplaats01] ,
eiser,
gemachtigde: mr. A. Frederiksen,
tegen
[gedaagde01],
woonplaats: [woonplaats02] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [eiser01] ’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 6 december 2022, met bijlagen;
  • het antwoord;
  • de repliek;
  • de dupliek;
  • het tussenvonnis van 10 maart 2023.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Bij tussenvonnis is [gedaagde01] in de gelegenheid gesteld zijn stelling dat hij het van [eiser01] geleende geld heeft terugbetaald, te bewijzen. [gedaagde01] heeft niet gereageerd, zodat niet is komen vast te staan dat hij het geld heeft terugbetaald. De vordering van [eiser01] tot terugbetaling van het geleende bedrag van € 1.450,- wordt dan ook toegewezen.
2.2.
De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW Pro). De rente wordt toegewezen, omdat [eiser01] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde01] dat niet heeft betwist. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is niet toewijsbaar, nu niet is gesteld of gebleken dat de kosten voor dagvaarding dan wel voor de ingebrekestelling door eisende partij zijn betaald aan de gemachtigde.
2.3.
[gedaagde01] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv Pro). Nu [eiser01] procedeert op basis van een toevoeging blijven de proceskosten beperkt tot het verschuldigde griffierecht van € 86,- en € 398,- aan salaris voor de gemachtigde
(2 punten x € 199,-). Dit is totaal € 484,-. Voor kosten die [eiser01] maakt na deze uitspraak moet [gedaagde01] een bedrag betalen van € 99,50 (1/2 punt x € 199,-). Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend. In dit vonnis hoeft hierover niet apart te worden beslist (ECLI:NL:HR:2022:853).
2.4.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro).

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde01] om aan [eiser01] te betalen € 1.713,18 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 1.450,- vanaf 7 maart 2022 tot de dag van volledige betaling;
3.2.
veroordeelt [gedaagde01] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser01] vastgesteld op € 86,- aan verschotten en € 398,- aan salaris voor de gemachtigde, van welke bedragen het totaal rechtstreeks aan die gemachtigde dient te worden voldaan;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom en in het openbaar uitgesproken.
527