ECLI:NL:RBROT:2023:4150
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.G.L. de Vette
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek kwijtschelding aanvullende beurs op grond van toetsingsinkomen en peiljaar
Eiser heeft een verzoek ingediend om kwijtschelding van zijn aanvullende beurs op grond van studiefinanciering. Dit verzoek is door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap afgewezen omdat het toetsingsinkomen van eiser in het peiljaar 2020 hoger was dan twee maal het wettelijk minimumloon, waardoor hij niet in aanmerking komt voor kwijtschelding.
Eiser voerde aan dat zijn inkomen in 2020 eenmalig hoger was door een nabetaling en dat zijn werkelijke inkomen lager is. Hij deed een beroep op redelijkheid en billijkheid en het evenredigheidsbeginsel, verwijzend naar artikel 13b van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De rechtbank oordeelde echter dat het toetsingsinkomen volgens de wet dwingendrechtelijk wordt vastgesteld en dat er geen ruimte is voor het hanteren van een ander peiljaar.
Daarnaast is de hardheidsclausule niet van toepassing op het toetsingsinkomen en is artikel 13b Awir niet van toepassing op besluiten op grond van de Wet studiefinanciering 2000. De rechtbank concludeerde dat de afwijzing van het verzoek niet onevenredig is, mede omdat eiser geen financiële problemen heeft ondervonden en gebruik kan maken van aflosvrije maanden en een garantietermijn.
Het beroep van eiser wordt daarom ongegrond verklaard, hij krijgt geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter M.G.L. de Vette op 17 mei 2023.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om kwijtschelding van de aanvullende beurs wordt ongegrond verklaard.