Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.Onderzoek op de terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Eis officieren van justitie
4.Waardering van het bewijs
Enerzijds zit er een verdachte vast voor een serieus en zeer ernstig strafbaar feit, maar anderzijds betreft dit een verdachte waarbij er geen aanwijzingen zijn van wetenschap van de terroristische aanslagen tijdens zijn vermoedelijke bemiddelingen én gaat het onderzoek nog lang duren. Daarnaast is er op dit moment ook geen enkele reden dat verdachte op dit moment een acuut gevaar oplevert. De vraag dringt zich dan ook op of deze verdachte nog gedurende al die tijd vast zou moeten blijven zitten. Een vraag die normaliter snel bevestigend te beantwoorden zou zijn, al was het maar omdat de 12-jaarsgrond van toepassing is. Onder de bijzondere omstandigheden die zojuist genoemd zijn en uitdrukkelijk zonder vooruit te willen lopen op enige uiteindelijke strafeis, meent het openbaar minister in deze zaak dan ook dat een schorsing van de voorlopige hechtenis tot aan de uiteindelijke zitting in deze zaak te overwegen valt.”
Het gaat op dit moment enkel om een afweging van het belang van de verdachte tegen het belang van het onderzoek. En nu dit onderzoek niet in gevaar is bij de vrijheid van verdachte, zou bij deze afweging besloten kunnen worden tot een voorlopige vrijlating tot aan de inhoudelijke zitting.”
- [medeverdachte03] had WhatsApp-conversaties met [verdachte01] , sinds 6 oktober 2015, de dag voor de eerste keer dat [medeverdachte03] en [medeverdachte02] samen naar Nederland komen. Er wordt gesproken over ‘Clio’s’ en er wordt gezegd dat [medeverdachte03] ‘morgen’ naar Nederland moet komen. Het bezoek van 7 oktober en 28 oktober van [medeverdachte03] had blijkens die WhatsApp-conversaties betrekking op hetzelfde: de aanschaf van Clio’s. In de gesprekken worden allerlei elementen genoemd waaruit kan worden afgeleid dat het niet om echte (Renault) Clio’s gaat.
- Op 28 oktober 2015 heeft [verdachte01] via WhatsApp twee belangrijke elementen naar [medeverdachte03] gestuurd, namelijk: het adres [adres02] en het telefoonnummer eindigend op * [nummer01] . Dit nummer blijkt van [medeverdachte04] te zijn.
We hebben bij deze stand van het geding geen bewijs dat de verdachte contact heeft gehad met wapenhandelaren, ook al heeft het er wel alle schijn van”.
vrij te spreken. Die aankondiging tot vrijspraak is in het bijzonder gelegen in de laatste resultaten van het onderzoek, namelijk het aanvullend proces-verbaal van bevindingen over de zin “
Zowel [medeverdachte05] als [medeverdachte06] is gekend in de wapenhandel”, welke zin niet bevestigd kan worden en de getuigenverklaringen die hebben plaatsgevonden. Daarnaast is geen aanvullende informatie gekomen vanuit het Franse proces waaruit bewijs kan volgen voor het gebruik van het woord “Clio “als versluierd taalgebruik voor (automatische) wapens of de daadwerkelijke levering van de wapens aan de veroordeelden vanuit Nederland.
in de tenlastegelegde periode, ontbreekt.
waarschijnlijkis dat dit contact ging over wapens en/of wapenhandelaren, maar wettig en overtuigend bewijs om tot een veroordeling te komen, ontbreekt gewoonweg.
juistvanwege voornoemd belang en de verwachting m.b.t. de duur en de complexiteit van dit onderzoek.
‘100 procent zeker te zijn dat hij niet met [medeverdachte02] naar Nederland is afgereisd’. [11]