In deze civiele procedure stond de vraag centraal of de handtekening onder een leningsovereenkomst van 1 juli 2020 door gedaagde was geplaatst. De rechtbank benoemde een deskundige die concludeerde dat de handtekening zeer waarschijnlijk een vervalsing betrof. Partijen betwistten dit oordeel niet, waardoor de rechtbank dit als vaststaand aannam.
Eiser verzocht om uitbreiding van het deskundigenonderzoek naar eerdere leningsovereenkomsten uit 2012 en 2015, maar dit verzoek werd afgewezen wegens strijd met de goede procesorde en te late bewijslevering. Vervolgens slaagde eiser er niet in voldoende bewijs te leveren dat het geleende bedrag, na aftrek van terugbetalingen, ten minste €115.000 bedroeg.
De rechtbank veroordeelde gedaagde daarom tot betaling van €47.660 aan eiser, wees de contractuele rente en incassokosten af en wees de voorwaardelijke reconventionele vordering van gedaagde af zonder inhoudelijke beoordeling. Tevens werden de proceskosten grotendeels aan gedaagde opgelegd en werd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.