ECLI:NL:RBROT:2023:11825

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 december 2023
Publicatiedatum
15 december 2023
Zaaknummer
10618622 CV EXPL 23-20565
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119a BWArt. 237 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling van bemiddelingsfee voor financiering commercieel vastgoed door persoonlijke partij

Beleggingspanden-Financiering.nl B.V. (BPF) vordert betaling van een bemiddelingsfee van €3.140,63 van een vennoot ([gedaagde02]) van een vennootschap onder firma ([gedaagde01]). BPF had bemiddeld bij het verkrijgen van financiering voor commercieel vastgoed, maar de opdracht werd geannuleerd. BPF stelt dat de vennoot namens de vennootschap tekende, maar de rechtbank oordeelt dat de overeenkomst alleen met de vennoot persoonlijk is gesloten.

De rechtbank stelt vast dat noch de vennootschap noch de andere vennoot partij zijn bij de overeenkomst. De financieringsofferte en het onderpand op naam van de vennootschap leiden niet tot een andere conclusie. De vennoot zocht de financiering persoonlijk om een andere vennoot uit te kopen.

De vennoot moet daarom 75% van de fee betalen, omdat BPF een marktconforme aanbieding deed en de opdracht werd geannuleerd. De rente en incassokosten worden eveneens toegewezen. Proceskosten worden verdeeld: BPF betaalt de kosten van de niet-gedaagde vennoten, terwijl de vennoot de proceskosten van BPF moet vergoeden. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Een vennoot wordt veroordeeld tot betaling van €3.793,86 aan bemiddelingsfee, rente en incassokosten, terwijl de vordering tegen de vennootschap en andere vennoot wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 10618622 CV EXPL 23-20565
datum uitspraak: 15 december 2023
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Beleggingspanden-Financiering.nl B.V.,
vestigingsplaats: Amersfoort,
eiseres,
gemachtigde: AGIN Pranger Gerechtsdeurwaarders,
tegen

1.[gedaagde01] ,

vestigingsplaats: [vestigingsplaats01] ,
gedaagde sub 1,
vertegenwoordigd door gedaagden sub 2 en 3,
2. [gedaagde02],
woonplaats: [woonplaats01] ,
gedaagde sub 2,
die zelf procedeert,
3. [gedaagde03],
woonplaats: [woonplaats02] ,
gedaagde sub 3,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘BPF’, ‘ [gedaagde01] ’, ‘ [gedaagde02] ’ en ‘ [gedaagde03] ’ genoemd. De gedaagden worden hierna samen ‘ [gedaagde partij01] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 10 juli 2023, met bijlagen;
  • het antwoord, met bijlagen.
1.2.
Op 13 november 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren namens BPF [naam01] (zakelijk hypotheekadviseur) en [naam02] (sales manager) aanwezig, bijgestaan door de gemachtigde van BPF. Verder waren [gedaagde02] en [gedaagde03] - mede namens [gedaagde01] - aanwezig, vergezeld van [naam03] .

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde01] is een vennootschap onder firma en [gedaagde02] en [gedaagde03] zijn vennoten van [gedaagde01] . BPF is verzocht om te bemiddelen bij het verkrijgen van financiering van commercieel vastgoed. Partijen zijn het er niet over eens wie de bemiddelingsovereenkomst hebben gesloten. Volgens BPF heeft [gedaagde02] de bemiddelingsovereenkomst namens [gedaagde partij01] ondertekend, maar volgens [gedaagde partij01] heeft [gedaagde02] de bemiddelingsovereenkomst op persoonlijke titel ondertekend. BPF heeft uiteindelijk financiering gevonden. Vervolgens is de bemiddelingsopdracht geannuleerd. Volgens BPF is [gedaagde partij01] daardoor 75% van de afgesproken fee voor de bemiddeling verschuldigd. Daarom eist BPF in deze zaak dat [gedaagde partij01] wordt veroordeeld om € 3.140,63 (met rente en een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten) aan BPF te betalen. [gedaagde partij01] is het hier niet mee eens, omdat [gedaagde01] en [gedaagde03] geen partij zijn bij de bemiddelingsovereenkomst en BPF geen rekening heeft gehouden met de door [gedaagde02] aan de financiering gestelde voorwaarden. De kantonrechter wijst de eis van BPF toe tegenover [gedaagde02] . Hierna wordt uitgelegd waarom.
De bemiddelingsovereenkomst is gesloten tussen BPF en [gedaagde02]
2.2.
De kantonrechter is met [gedaagde partij01] van oordeel dat de bemiddelingsovereenkomst is gesloten tussen BPF en [gedaagde02] en dat [gedaagde01] en [gedaagde03] daarom niets aan BPF hoeven te betalen. De bemiddelingsovereenkomst is namelijk alleen gericht aan [gedaagde02] en ook alleen door hem ondertekend. [1] Nergens uit de bemiddelingsovereenkomst blijkt dat [gedaagde02] de financiering namens [gedaagde partij01] is aangegaan. De enkele omstandigheid dat in de financieringsofferte staat dat [gedaagde02] bij het aangaan van de financiering voor zichzelf én onder de naam [gedaagde01] handelt, [2] is onvoldoende om tot een andere conclusie te komen. De financieringsofferte is immers een document dat niet door [gedaagde02] , dan wel [gedaagde partij01] is opgesteld of ondertekend en alleen al daarom kan aan de bewoordingen in die offerte niet de betekenis worden toegekend die BPF daaraan toegekend wil zien. Ook de enkele omstandigheid dat het onderpand voor de financiering (het bedrijfspand van [gedaagde01] ) op naam van [gedaagde01] staat, leidt niet tot een ander oordeel. Tot slot ligt het ook veel meer voor de hand dat [gedaagde02] op persoonlijke titel financiering zocht, omdat [gedaagde02] onweersproken heeft gesteld dat de financiering tot doel had om [gedaagde03] uit te kunnen kopen. Het valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien waarom [gedaagde01] en/of [gedaagde03] daaraan zou(den) willen meebetalen.
[gedaagde02] moet € 3.140,63 aan BPF betalen
2.3.
[gedaagde02] moet € 3.140,63 aan BPF betalen. In de bemiddelingsovereenkomst staat namelijk dat [gedaagde02] 75% van de afgesproken fee voor de bemiddeling aan BPF moet betalen, als BPF [gedaagde02] een marktconforme aanbieding voor een financieringsaanvraag doet en [gedaagde02] de bemiddelingsopdracht vervolgens annuleert. [3] Daar is in dit geval sprake van. BPF heeft [gedaagde02] een marktconforme aanbieding gedaan en [gedaagde02] heeft de bemiddelingsopdracht vervolgens geannuleerd. Dat die aanbieding geen rentepercentage van minder dan 7% inhield, zoals [gedaagde02] had gewenst, betekent niet dat BPF geen marktconforme aanbieding heeft gedaan. Tijdens de zitting heeft BPF namelijk toegelicht dat sprake was van een lastig dossier, omdat op gedeeltelijke horeca moest worden gefinancierd en niet alle financiers dat willen doen. BPF heeft de hele markt afgezocht en daar ging meer tijd overheen dan gebruikelijk. BPF heeft tussendoor ook verschillende keren meer informatie bij [gedaagde02] moeten opvragen en de rente is in de tussenliggende periode gestegen en gedaald. De zoektocht naar financiering heeft uiteindelijk een aanbieding met een rentepercentage van 7,5% opgeleverd. Volgens BPF was dit toen een marktconforme aanbieding met een marktconforme rente en dat heeft [gedaagde02] niet (gemotiveerd) weersproken. Integendeel, in het mailbericht van 16 december 2022 heeft [gedaagde02] zelf gevraagd of het rentetarief nog verlaagd kan worden van 8% naar 7,5%, wat daarna ook is gebeurd. Partijen hebben bovendien niet afgesproken dat alleen sprake zou zijn van een marktconforme aanbieding als het rentepercentage lager dan 7% zou zijn of dat [gedaagde02] alleen (een gedeelte van) de fee verschuldigd zou zijn als geen rentepercentage lager dan 7% kon worden aangeboden. De omstandigheid dat er nog verschillende kosten en fee’s bovenop het rentepercentage kwamen, maakt ook niet dat geen sprake was van een marktconforme aanbieding. Dergelijke kosten en fee’s zijn immers gebruikelijk bij het afsluiten van financiering (door middel van bemiddeling).
De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke handelsrente
2.4.
De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van € 531,26 wordt toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze vergoeding te krijgen (artikel 6:96 BW Pro). De wettelijke handelsrente - waaronder een bedrag van € 121,97 berekend tot 5 juli 2023 - wordt ook toegewezen, omdat BPF genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde02] dat niet heeft betwist.
De proceskosten
2.5.
BPF krijgt ongelijk voor zover zij haar eis tegen [gedaagde01] en [gedaagde03] heeft gericht en daarom moet zij hun proceskosten betalen (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter stelt de proceskosten van [gedaagde01] tot vandaag vast op nihil, omdat zij vertegenwoordigd door [gedaagde02] en [gedaagde03] in de zaak is verschenen. De proceskosten van [gedaagde03] stelt de kantonrechter tot vandaag vast op € 50,00 aan reis-, verblijf- en verletkosten, omdat hij op een rolzitting en tijdens de mondelinge behandeling is verschenen. Voor kosten die [gedaagde03] maakt na deze uitspraak moet BPF een bedrag betalen van € 25,00. Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend. In dit vonnis hoeft hierover niet apart te worden beslist. [4]
2.6.
Voor zover de eis van BPF tegen [gedaagde02] is gericht, wordt [gedaagde02] in het ongelijk gesteld en daarom moet hij de proceskosten van BPF betalen (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van BPF tot vandaag vast op € 130,49 aan dagvaardingskosten (€ 106,73 voor het exploot, € 0,59 aan informatiekosten BRP en € 0,52 aan informatiekosten DBR, vermeerderd met 21% btw), € 487,00 aan griffierecht en € 528,00 aan salaris voor de gemachtigde (twee punten x € 264,00). Dit is in totaal € 1.145,49. Voor kosten die BPF maakt na deze uitspraak moet [gedaagde02] een bedrag betalen van € 132,00. Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend. In dit vonnis hoeft hierover niet apart te worden beslist. [5]
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.7.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro).

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde02] om aan BPF te betalen € 3.793,86 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 3.140,63 vanaf 5 juli 2023 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt BPF in de proceskosten van [gedaagde01] en [gedaagde03] , die aan de kant van [gedaagde01] tot vandaag worden vastgesteld op nihil en die aan de kant van [gedaagde03] tot vandaag worden vastgesteld op € 50,00;
3.3.
veroordeelt [gedaagde02] in de proceskosten van BPF, die aan de kant van BPF tot vandaag worden vastgesteld op € 1.145,49;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
38671

Voetnoten

1.Bijlage 1 bij de dagvaarding, pagina’s 1 en 3.
2.Bijlage 2 bij de dagvaarding, pagina 1.
3.Bijlage 1 bij de dagvaarding, pagina 2.
4.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.
5.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.