In deze civiele procedure stond centraal of [bedrijf A] kon bewijzen dat [bedrijf B] opdracht had gegeven voor werkzaamheden aan een motor, uitgevoerd door [bedrijf A], en dat partijen een uurtarief van €60,00 waren overeengekomen. Het bewijs werd geleverd door schriftelijke en mondelinge getuigenverklaringen van drie getuigen aan de zijde van [bedrijf A] en drie aan de zijde van [bedrijf B].
De kantonrechter oordeelde dat de factuur van 9 maart 2021 duidelijk betrekking had op het uitbouwen, inspecteren en ombouwen van de motor in de auto van [bedrijf B]. De getuigenverklaringen van [persoon A] en [persoon B] werden als betrouwbaar en overtuigend beschouwd, terwijl de verklaringen van de getuigen van [bedrijf B] onvoldoende bewijswaarde hadden vanwege inconsistenties en het ontbreken van aanwezigheid bij relevante gesprekken.
Hierdoor werd vastgesteld dat [bedrijf B] opdracht had gegeven en dat de werkzaamheden waren uitgevoerd tegen het overeengekomen uurtarief. Het verstekvonnis werd grotendeels bekrachtigd, behalve voor de toegewezen rente, die werd afgewezen omdat deze niet was gevorderd in de dagvaarding. De voorwaardelijke eis in reconventie van [bedrijf B] hoefde niet te worden beoordeeld. [bedrijf B] werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten in de verzetprocedure.