ECLI:NL:RBROT:2023:10614
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering WOZ-waarde woning en vergoeding verletkosten na ongebruikelijke bezwaarprocedure
Eiser maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €374.000. Na bezwaar werd de waarde verlaagd naar €334.000, maar eiser bleef van mening dat de juiste waarde €283.000 bedroeg. De rechtbank stelt vast dat de juiste waarde inderdaad €283.000 is en verklaart het beroep gegrond.
Eiser voerde aan dat hij veel tijd en energie had besteed aan overleg met de heffingsambtenaar, zowel voorafgaand aan het bezwaar als tijdens de bezwaar- en beroepsprocedure, zonder dat dit tot een juiste waardering leidde. Hij vroeg vergoeding van zijn verletkosten, omdat hij geen professionele gemachtigde inschakelde en zelf voltijds werkt. De heffingsambtenaar betwistte dit en verwees naar wettelijke bepalingen die proceskostenvergoeding beperken.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar ten onrechte geen verletkosten vergoedde, omdat het overleg in deze ongebruikelijke procedure redelijkerwijs moest worden gemaakt en verband hield met de bezwaarprocedure. Vergoeding van de kosten voor het indienen van een klacht werd afgewezen omdat deze onvoldoende verband hield met het bezwaar. De rechtbank stelde het maximale uurtarief van €98,- vast en bepaalde de proceskostenvergoeding op €686,-, inclusief griffierecht.
De uitspraak vernietigt de eerdere beslissing op bezwaar en stelt de WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelastingen vast op basis van €283.000. Tevens wordt de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten aan eiser.
Uitkomst: De WOZ-waarde wordt vastgesteld op €283.000 en eiser krijgt vergoeding van zijn proceskosten en verletkosten.