ECLI:NL:RBROT:2023:10330

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
31 augustus 2023
Publicatiedatum
6 november 2023
Zaaknummer
C/10/662339 / JE RK 23-1698
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing ondanks wens minderjarige tot kortere duur

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2006. De kinderrechter heeft het verzoek beoordeeld op grond van de wettelijke criteria uit artikel 1:255 BW Pro.

De minderjarige verbleef in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en oefende het ouderlijk gezag uit door de moeder. Tijdens een gesprek gaf de minderjarige aan dat het contact met haar moeder is verbeterd en dat zij volwassen is geworden, met plannen om haar startkwalificatie te behalen en een gezonder leven te leiden. Zij gaf aan geen persoonlijkheidsonderzoek te willen, hoewel de kinderrechter dit aanraadde.

Ondanks de wens van de minderjarige om de ondertoezichtstelling korter te laten duren, vond de kinderrechter het belangrijk dat de positieve ontwikkelingen worden vastgehouden en dat er toezicht blijft. Daarom werd de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 3 september 2024. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het hoger beroep kan worden ingesteld bij het gerechtshof te Den Haag.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing worden verlengd tot 3 september 2024.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/662339 / JE RK 23-1698
Datum uitspraak: 31 augustus 2023
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[kind01], geboren op [geboortedatum01] 2006 in [geboorteplaats01] , hierna te noemen [kind01] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam01],
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats01] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 17 juli 2023.
- het e-mailbericht van de jeugdbeschermer van 7 augustus 2023.
De belanghebbende heeft niet aangegeven prijs te stellen op een mondelinge behandeling.
[kind01] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
Het ouderlijk gezag over [kind01] wordt uitgeoefend door de moeder.
2.2.
[kind01] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
2.3.
Bij beschikking van 23 februari 2023 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [kind01] verlengd tot 3 september 2023.
2.4.
Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind01] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 3 september 2023.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [kind01] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind01] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De beoordeling

4.1.
Op basis van de stukken is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter heeft uitgebreid gesproken met [kind01] . Dit was een leuk gesprek. [kind01] geeft aan dat het contact met haar moeder veel beter is. Dit was vorig jaar een groot punt van zorg. Dat komt zelf, zegt ze, omdat zij volwassen is geworden. Zij hangt niet meer zoveel op straat. Ze wil haar startkwalificatie halen. Zij heeft verschillende bijbaantjes en een vriendje. Ook is er uitgebreid gesproken over de noodzaak van een persoonlijkheidsonderzoek om te kijken of zij nog hulp nodig heeft. [kind01] is daar duidelijk in, zij zegt dat dit niet hoeft. De kinderrechter heeft haar op het hart gedrukt dat je altijd iets kan leren van zulke onderzoeken en dat het niet gezegd is dat zij daarna veel moeilijke hulpverlening moet krijgen. De kinderrechter hoopt dan ook dat zij zo’n onderzoek wil gaan doen en dat de jeugdbeschermer dit met haar bespreekt. De jeugdbeschermer en de moeder stemmen in met het verzoek en de kinderrechter vindt deze ontwikkeling vrij pril, [kind01] heeft namelijk vorig jaar nog gezegd dat de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing zo lang mogelijk verlengd moeten worden en dat zij alleen nog maar zakelijk contact had met de moeder. Dit is nu totaal anders. De kinderrechter vindt het daarom belangrijk dat dit vastgehouden wordt en er iemand is die meekijkt en meedenkt.
4.2.
De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [kind01] verlengen voor de duur van een jaar (artikel 1:260, eerste lid, BW).
4.3.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind01] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW).

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [kind01] tot 3 september 2024;
5.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind01] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 3 september 2024;
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr T. van den Akker, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2023, in aanwezigheid van mr. V. Versteeg als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.