ECLI:NL:RBROT:2022:8581

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 oktober 2022
Publicatiedatum
17 oktober 2022
Zaaknummer
8815411 / VZ VERZ 20-18321
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 164 RvArt. 165 RvArt. 173 RvArt. 189 RvArt. 193 Rv
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot oplegging dwangsom aan partijgetuige en stichting na voorlopig getuigenverhoor

In deze zaak heeft verzoeker een voorlopig getuigenverhoor gehouden waarbij belanghebbende als partijgetuige is gehoord. Verzoeker vroeg vervolgens om een dwangsom op te leggen aan belanghebbende en Stichting JBRR omdat zij weigerden de namen van medewerkers te verstrekken die melding hadden gedaan.

De kantonrechter overweegt dat een partijgetuige verplicht is te getuigen, tenzij een verschoningsrecht geldt. Echter kan een partijgetuige niet worden gegijzeld en is het opleggen van een dwangsom aan een partijgetuige niet toegestaan volgens vaste jurisprudentie. Dit geldt ook voor het voorlopig getuigenverhoor.

Daarnaast is het verzoek jegens Stichting JBRR niet ontvankelijk omdat het oorspronkelijke verzoek niet tegen deze stichting was gericht en er geen voorlopig getuigenverhoor tegen haar heeft plaatsgevonden.

De kantonrechter wijst het verzoek daarom af en veroordeelt verzoeker in de proceskosten van belanghebbende. Het voorlopig getuigenverhoor wordt gesloten omdat partijen geen aanvullende getuigen wensen te horen.

Uitkomst: Het verzoek tot oplegging van een dwangsom aan belanghebbende en Stichting JBRR wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 8815411 / VZ VERZ 20-18321
datum uitspraak: 7 oktober 2022
Beschikking van de kantonrechter
op het verzoek van
[verzoeker01],
wonende in [woonplaats01] ,
verzoeker,
gemachtigde: mr. S. van Buuren te ‘s-Gravendeel,
in het kader van het op 21 juli 2022 gehouden voorlopig getuigenverhoor, ingevolge de beschikking van 25 maart 2021.
Belanghebbende is
[belanghebbende01],
wonende in [woonplaats02] ,
gemachtigde: mr. S. Scheimann te Rotterdam.
De partijen worden hierna ‘ [verzoeker01] ’ en ‘ [belanghebbende01] ’ genoemd.

1 ..Het verzoek

1.1.
[belanghebbende01] heeft op 21 juli 2022 als getuige onder meer het volgende verklaard:

Ik hoor de heer [verzoeker01] vragen wie de medewerkster in alinea 2 van pagina 2 van de aangifte is en wie de andere medewerkers zijn die zich, volgens de aangifte, in hun goede naam en eer aangetast voelden. Ik heb aangifte gedaan namens Stichting JBRR. Dat is mijn bevoegdheid als bestuurder. Daarom geef ik de naam van de individuele medewerkers niet die bij mij melding hebben gedaan. Ik heb aangifte gedaan omdat in mijn ogen de goede naam en eer van Stichting JBRR werden aangetast door de tweets van de heer [verzoeker01] . Daarom geef ik niet de namen.”.
1.2.
[verzoeker01] heeft, na daartoe op zijn verzoek in de gelegenheid te zijn gesteld, bij “akte uitlating, tevens houdende eiswijziging” verzocht om zowel [belanghebbende01] als Stichting Jeugdbescherming Rotterdam-Rijnmond (hierna: Stichting JBRR) een hoofdelijke dwangsom à € 500,- per dag (met een maximum van 1.000 dagen) op te leggen, dan wel een bedrag en maximum naar redelijkheid, zolang zij de naam/namen van de medewerkers zoals genoemd in de aangifte d.d. 5 augustus 2019 niet verstrekt/verstrekken, zulks uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
1.3.
[belanghebbende01] heeft bij antwoordakte verzocht het verzoek van [verzoeker01] af te wijzen.

2 ..De beoordeling van het verzoek

2.1.
De kantonrechter stelt het volgende voorop. Een getuige is verplicht tot het afleggen van een getuigenis, tenzij met recht een beroep wordt gedaan op een verschoningsrecht (art. 165 Rv Pro). Als een getuige weigert een verklaring af te leggen, kan de rechter op verzoek van de belanghebbende partij bevelen dat de getuige op zijn kosten in gijzeling zal worden gesteld totdat hij aan zijn verplichting zal hebben voldaan (art. 173 Rv Pro). Aangenomen wordt dat de getuige als alternatief (voor gijzeling) in een (kort) geding op vordering van een partij die hem wil horen, kan worden veroordeeld tot betaling van een dwangsom totdat hij aan zijn getuigplicht heeft voldaan (HR 18 mei 1980, NJ 1980/213). De verplichting om te getuigen geldt ook voor de partijgetuige (art. 164 Rv Pro), maar een partijgetuige kan niet worden gegijzeld als hij niet aan zijn getuigplicht voldoet (art. 173 lid Pro 1, tweede zin Rv). Ook het opleggen van een dwangsom aan een weigerachtige partijgetuige is niet toelaatbaar (ECLI:NL:HR:2012:BV3403). De bepalingen omtrent het getuigenverhoor zijn op het voorlopig getuigenverhoor van overeenkomstige toepassing (art. 189 Rv Pro). Tegen deze achtergrond oordeelt de kantonrechter als volgt.
2.2.
In het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor (hierna: het oorspronkelijke verzoek) heeft [verzoeker01] gesteld dat hij overweegt “
om één of meerdere procedure(s) aanhangig te maken tegen [belanghebbende01]” en verzoekt hij om te bepalen dat [belanghebbende01] als getuige wordt gehoord. Dit verzoek is, na zowel [verzoeker01] als [belanghebbende01] te hebben gehoord, toegestaan bij beschikking van 25 maart 2021 en [belanghebbende01] is vervolgens gehoord.
2.3.
De artikelen die van toepassing zijn op de partijgetuige (waaronder de bepaling dat een partijgetuige niet kan worden gegijzeld en de daarmee samenhangende jurisprudentie waaruit volgt dat aan de partijgetuige ook geen dwangsom kan worden opgelegd als hij niet aan zijn getuigplicht voldoet) gelden evenzeer voor [belanghebbende01] in het aan deze procedure voorafgaande voorlopig getuigenverhoor (art. 193 Rv Pro). Daarop strandt het onderhavige verzoek voor zover dat ertoe strekt aan [belanghebbende01] een dwangsom op te leggen.
2.4.
Voor zover het verzoek ertoe strekt om aan Stichting JBBR een dwangsom op te leggen komt dit (alleen al) niet voor toewijzing in aanmerking omdat het oorspronkelijke verzoek niet tegen Stichting JBBR is gericht en er - dus - geen voorlopig getuigenverhoor heeft plaatsgevonden met het oog op een eventueel door [verzoeker01] tegen Stichting JBBR aanhangig te maken procedure.
2.5.
Gelet op het bepaalde in art. 289 Rv Pro wordt [verzoeker01] in de proceskosten van [belanghebbende01] veroordeeld. Deze worden begroot op € 75,00 aan salaris gemachtigde.
2.6.
Nu zowel [verzoeker01] als [belanghebbende01] na afloop van het voorlopig getuigenverhoor zoals gehouden op 21 juli 2022 desgevraagd hebben verklaard geen (aanvullende) getuigen te willen horen, stelt de kantonrechter vast dat het voorlopig getuigenverhoor is gesloten.

3 ..De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst het verzoek af;
3.2.
veroordeelt [verzoeker01] in de proceskosten van [belanghebbende01] , tot aan deze beschikking aan de zijde van [belanghebbende01] begroot op een bedrag van € 75,00 aan salaris gemachtigde.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken.