De curator van het failliete transportbedrijf [bedrijf A] vordert dat de bestuurder, [persoon B], aansprakelijk wordt gesteld voor onbehoorlijk bestuur en betaling van een rekening-courantschuld van €506.129,05. De rechtbank richt zich primair op de rekening-courantvordering, omdat toewijzing daarvan tot een overschot in de boedel kan leiden en verdere geschilpunten dan niet hoeven te worden behandeld.
Uit de administratie blijkt dat het rekening-courantsaldo ultimo 2020 minimaal €299.731,61 bedraagt. Daarnaast is vastgesteld dat de eenmanszaak van [persoon B] voor €163.328,69 aan debiteuren van [bedrijf A] heeft geïncasseerd, waarvan €114.000,00 aan [bedrijf A] is doorbetaald. Dit bedrag wordt bij het saldo opgeteld, verminderd met een verrekening van €11.357,10 wegens een betwist bedrag. Hierdoor komt de rechtbank tot een toegewezen vordering van €402.374,51.
De rechtbank wijst de vorderingen tot onbehoorlijk bestuur en onrechtmatige daad verder af omdat de curator heeft aangegeven dat toewijzing van de rekening-courantvordering voldoende is. Het verzoek van [persoon B] om betaling in termijnen wordt afgewezen. Tevens wordt hij veroordeeld in beslagkosten, proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard vanwege het reële incassorisico bij een eventueel geslaagd hoger beroep.