ECLI:NL:RBROT:2022:6480

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 juli 2022
Publicatiedatum
3 augustus 2022
Zaaknummer
C/10/630658 / JE RK 21-3336
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen in pleegzorg

De rechtbank Rotterdam behandelde op 22 juli 2022 het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen die verblijven bij pleegouders. De ouders oefenen het ouderlijk gezag uit, maar de kinderen verblijven uit huis vanwege ernstige zorgen over hun verzorging en opvoeding.

De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging van de uithuisplaatsing omdat de ouders de gestelde doelen niet hebben gerealiseerd. Er zijn meerdere incidenten van huiselijk geweld en overlast gemeld, en de moeder kampt met een verslaving en onvoldoende hulpverlening. De ouders zijn inmiddels uit elkaar gegaan en de vader zoekt een eigen woning. De bezoeken met de vader verlopen goed, met de moeder minder.

De kinderrechter concludeerde dat de zorgen onverminderd aanwezig zijn en dat een thuisplaatsing momenteel niet verantwoord is. Daarom werd de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 18 februari 2023, met het oog op het belang van de minderjarigen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten door belanghebbenden.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen wordt verlengd tot 18 februari 2023.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
zaakgegevens: C/10/630658 / JE RK 21-3336
datum uitspraak: 22 juli 2022

beschikking verlenging uithuisplaatsing

in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, hierna te noemen de GI, gevestigd te Amsterdam,
betreffende
[naam minderjarige 1], geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2017 te [geboorteplaats minderjarige 1] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 1] ,

[naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2019 te [geboorteplaats minderjarige 2] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats 1] ,

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats 1] ,

[naam pleegmoeder] en [naam pleegvader] ,

hierna te noemen pleegouders, wonende te [woonplaats 2] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 11 februari 2022;
- de brief van de GI van 24 juni 2022, ingekomen bij de griffie op 4 juli 2022.
Op 22 juli 2022 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.
Gehoord zijn:
- de vader, bijgestaan door mr. T. de Jong, optredend voor beide ouders,
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI, mw. [naam persoon 1] en mw. [naam persoon 2] .
De moeder is opgeroepen en niet verschenen.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] wordt uitgeoefend door de ouders.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verblijven bij de pleegouders.
Bij beschikking van 11 februari 2022 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verlengd tot 18 februari 2023. De kinderrechter heeft bij deze beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 18 augustus 2022. Het overig verzochte is aangehouden.

Het aangehouden verzoek

De GI heeft verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De standpunten

De GI heeft ter zitting het verzoek als volgt toegelicht. De ouders hebben tijdens de vorige zitting doelen gesteld, maar zijn deze niet nagekomen. Het lukt niet om de afspraken die gemaakt zijn vorm te geven. De ouders hadden aangegeven dat zij uit elkaar zouden gaan, maar dit is niet gebeurd. Uit de gegevens van de politie blijkt dat zij meerdere keren aan de deur zijn geweest vanwege de ruzie tussen de ouders. De moeder heeft eerder aangegeven dat zij haptonomie therapie wilde volgen, maar is hier één of twee keer verschenen en wilde het uiteindelijk niet voortzetten. Vervolgens zou zij naar de Jellinek afklickkliniek gaan om te werken aan haar verslaving, maar hier heeft de GI niets meer over vernomen. De moeder zit in de put en duidelijk is dat de geboden hulpverlening op dit moment niet voldoende is. Opnieuw wordt nu gekeken welke hulpverlening wel voor de moeder passend is. Tijdens de bezoeken is de moeder vaak te laat en wordt gezien dat zij de regie niet kan houden. Binnenkort zullen de bezoeken mogelijk weer met beide ouders tegelijkertijd zijn, waarbij Coach-Point de bezoeken zal observeren en begeleiden. [voornaam minderjarige 1] vraagt om duidelijkheid in het pleeggezin. Vooral na de bezoeken is hij boos en ook wanneer zijn ouders hun afspraken niet nakomen.
De vader heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij en de moeder uit elkaar zijn. De vader zou graag willen dat de kinderen bij hem komen wonen wanneer hij een eigen woning heeft gevonden. De vader heeft inmiddels onbegeleid contact met de kinderen. Eerder werd tijdens de begeleide bezoeken gezien dat de vader dit goed kan. Als de bezoeken weer samen met de moeder gaan plaatsvinden, zal er begeleiding bij zijn en dat vindt de vader een stap achteruit. De advocaat heeft namens de moeder aangegeven dat haptonomie niet voldoende is voor haar problematiek. De ouders begrijpen dat een thuisplaatsing op dit moment niet aan de orde is.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de zorgen over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] onverminderd aanwezig zijn. Tijdens de vorige zitting op 11 februari 2022 is een deel van het verzoek van de GI aangehouden. De ouders hebben ter zitting samen met de GI doelen gesteld en toegezegd hieraan te werken. Inmiddels is gebleken dat het nog niet is gelukt om het patroon van ruzie en geweld te doorbreken. In december 2021 is de moeder door de vader mishandeld, waar ze zwaar letsel aan over heeft gehouden. In de afgelopen maanden zijn er meerdere meldingen bij de politie gedaan over overlast en onrust in de woning van de ouders. Ook is sprake van een verslaving bij de moeder. Ter zitting is gebleken dat de ouders inmiddels uit elkaar zijn gegaan en dat de vader op zoek is naar een eigen woning. In de tussentijd woont hij bij een vriend. De bezoeken met de vader verlopen goed, terwijl de bezoeken met de moeder juist minder goed gaan. De GI was van plan de bezoeken weer met de ouders gezamenlijk te laten plaatsvinden en deze te begeleiden, maar nu de ouders uit elkaar zijn moet bekeken worden hoe dit vormgegeven kan worden. De kinderrechter geeft de GI in overweging de bezoeken met de vader onbegeleid te laten plaatsvinden, waarbij de moeder het laatste gedeelte van het bezoek kan aansluiten en de GI het bezoek vanaf dat moment kan begeleiden.
Op dit moment is een thuisplaatsing bij een van de ouders niet aan de orde. De kinderrechter acht daarom de verlenging van de uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek).

De beslissing

De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 18 februari 2023;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. T. van den Akker, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.F. Verhaart als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2022.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 3 augustus 2022.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.