Eiseres kreeg een boete van €12.500,- opgelegd wegens overtreding van de Wet dieren, omdat varkenskarkassen vervuild waren met fecaliën en gal. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna eiseres beroep instelde.
De rechtbank vroeg om nadere toelichting waarom een boete werd opgelegd in plaats van een waarschuwing, conform het Handhavingsprotocol. Verweerder gaf aan dat de boete bij de derde overtreding werd opgelegd, maar dat de eerste twee schriftelijke waarschuwingen pas na deze derde overtreding waren verstuurd. Hierdoor was de boete onterecht.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit, waardoor de boete vervalt. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.