De rechtbank Rotterdam heeft op 5 juli 2022 uitspraak gedaan in een zaak betreffende ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De veroordeelde is eerder veroordeeld voor het plegen van gewoontewitwassen. De officier van justitie vorderde ontneming van een bedrag tot maximaal €199.356,25, gebaseerd op een rapport met een berekening volgens de methode van eenvoudige kasopstelling.
De verdediging voerde verweer tegen de berekeningsmethode, stelde dat de onderzoeker onvoldoende deskundig was en dat de methode van vermogensvergelijking betrouwbaarder zou zijn. Dit verweer werd door de rechtbank afgewezen. De rechtbank achtte de kasopstelling een sterke aanwijzing en vond geen reden de berekening te verwerpen.
Uit het rapport bleek dat de veroordeelde samen met medeveroordeelden een economische eenheid vormde en in de periode van januari 2016 tot februari 2019 meer dan €300.000 contant had uitgegeven, aanzienlijk meer dan de legale inkomsten. Het aan de veroordeelde toe te rekenen wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op €199.356,25.
De rechtbank hield rekening met het recht op een redelijke termijn en vermindert de betalingsverplichting met €5.000 wegens overschrijding van deze termijn. Uiteindelijk werd de veroordeelde verplicht tot betaling van €194.356,25 aan de staat. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e Wetboek van Strafrecht en het arrest van de Hoge Raad van 26 maart 2013.