ECLI:NL:RBROT:2022:4631
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen besluit dubbele kinderbijslag met terugwerkende kracht
Eiseres ontving dubbele kinderbijslag voor haar zoon, maar na het verlopen van het CIZ-advies werd haar recht op dubbele kinderbijslag ingetrokken. Zij diende later een nieuwe aanvraag in die werd toegekend vanaf het vierde kwartaal van 2020. Eiseres stelde dat zij recht had op dubbele kinderbijslag vanaf het vierde kwartaal van 2019 en dat zij door persoonlijke omstandigheden niet eerder de benodigde stukken kon aanleveren.
De rechtbank oordeelde dat artikel 14, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (Akw) een dwingendrechtelijke bepaling is die niet toestaat dat dubbele kinderbijslag met terugwerkende kracht wordt toegekend. De rechtbank wees ook het bezwaar van eiseres af dat zij niet gehoord was in de bezwaarprocedure, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
De rechtbank concludeerde dat het besluit van de Sociale Verzekeringsbank juist was en dat eiseres geen recht had op dubbele kinderbijslag met terugwerkende kracht. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot toekenning van dubbele kinderbijslag met ingang van het vierde kwartaal 2020 wordt ongegrond verklaard.