ECLI:NL:RBROT:2022:2042

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 maart 2022
Publicatiedatum
21 maart 2022
Zaaknummer
ROT 21/2820
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:54 AwbWet IOAW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen uitspraak inzake bezwaar tegen schuldenoverzicht niet-ontvankelijk verklaard

Opposante maakte bezwaar tegen een schuldenoverzicht van de gemeente Rotterdam, dat volgens vaste rechtspraak geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank verklaarde het beroep op bezwaar ongegrond en dit verzet bevestigt die uitspraak.

Opposante stelde dat het schuldenoverzicht rechtstreekse negatieve financiële gevolgen had, waaronder een machtiging voor terugvordering en verhaal. Zij voerde ook aan dat er zonder haar toestemming vermogen op haar naam werd belegd. De rechtbank oordeelde dat het schuldenoverzicht slechts informatief is en dat de onderliggende besluiten waartegen bezwaar mogelijk is, niet ter discussie stonden.

De rechtbank benadrukte dat problemen die opposante ervaart door schulden niet in deze bestuursrechtelijke procedure kunnen worden beoordeeld. Voor schadeveroorzakende handelingen anders dan uit een evident onrechtmatig besluit dient een civiele procedure te worden gevolgd.

Het verzet is daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzet tegen de uitspraak dat het schuldenoverzicht geen besluit is, wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 21/2820

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2022 op het verzet van

[naam opposante], te [woonplaats opposante], opposante.

Procesverloop

Opposante heeft tegen de beslissing op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam van 14 april 2021 (het bestreden besluit) beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 27 augustus 2021 heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard.
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Opposante heeft op 6 februari 2022 nadere gronden van verzet en nadere stukken ingediend.
De rechtbank heeft het verzet op 3 maart 2022 op zitting behandeld. Opposante is samen met haar partner verschenen.

Overwegingen

De uitspraak van 27 augustus 2021
1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de gemeente Rotterdam (verweerder) het bezwaar van opposante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat zij bezwaar heeft gemaakt tegen een schuldenoverzicht dat op basis van vaste rechtspraak geen besluit is.
Het verzetschrift
2. Opposante voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat het schuldenoverzicht wel degelijk rechtstreekse negatieve financiële gevolgen heeft, zoals een machtiging voor terugvordering en verhaal die opposante heeft moeten ondertekenen. Verweerder zou de door opposante geleden schade verhalen op haar ex-werkgever, maar daarvan is niets gebleken. Door verschillende overheidsinstanties is op haar naam en via haar gegevens belegd en vermogen gegenereerd waar opposante geen toestemming voor heeft gegeven maar waar verweerder wel inzage in had. Opposante verzoekt om het beleggen op haar naam met onmiddellijke ingang te stoppen zodat het onzichtbare en ongrijpbare vermogen niet verder groeit.
In het aanvullend verzetschrift voert opposante aan dat verweerder aansprakelijk is voor de nog steeds voortslepende ongekende economische, financiële, psychische, materiële en immateriële schade. Er is sprake van een toerekenbare inbreuk en schending op haar persoonlijkheidsrecht. De eis van opposante tot uitbetaling van haar loon of uitkering (€2.484,72 netto per maand tot aan de AOW-leeftijd van opposante) op basis van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Wet IOAW) blijft overeind staan. Verweerder heeft opposante moedwillig gemeden en geweigerd deze uitkering uit te betalen. In de plaats daarvan zijn steeds voorschotten van €605,91 uitbetaald die vervolgens als schuld zijn opgeëist.
Opposante verzoekt om de brief van 6 februari 2021 met het schuldenoverzicht en een schrijven van de Belastingdienst, waarbij het betalen van haar schulden tijdelijk worden stopgezet, nietig te verklaren, met daarbij alle voorlopige intrekkingen, aanmaningen, dwangbevelen en beslagleggingen op haar inkomen. Opposante verzoekt verder om uitstel van betaling voor een periode van vijf jaren ten aanzien van inkomsten, vermogen en gemeentelijke belastingen en wel uitgaande vanaf de datum na uitbetaling van de claims van opposante.
Beoordeling door de verzetrechter
3. De verzetrechter moet beoordelen of de rechtbank terecht heeft bepaald dat het beroep ongegrond is, omdat opposante bezwaar heeft gemaakt tegen een brief die niet kan worden aangemerkt als besluit volgens de Awb.
4. De verzetrechter overweegt het volgende. Opposante heeft tegen de in het schuldenoverzicht van 6 februari 2021 vermelde schulden bezwaar gemaakt. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, wordt onder besluit verstaan, een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat het schuldenoverzicht geen besluit is in de zin van de Awb. Dit blijkt uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:331. De in het schuldenoverzicht vermelde schulden zijn van informatieve aard. Hieraan zijn besluiten voorafgegaan tot vaststelling en invordering van schulden, waartegen opposante bezwaar had kunnen maken.
5. De verzetrechter begrijpt dat opposante in haar dagelijks leven veel problemen ervaart door onder meer de schuldenlast. Die problemen staan echter in deze procedure verder niet ter beoordeling. Dit volgt al uit het feit dat er geen sprake is van een besluit waartegen opposante opkomt. Als ter zitting besproken kan eventueel herziening worden gevraagd van een eerder besluit. Dit is echter alleen haalbaar als een dergelijk besluit evident onrechtmatig is. Als het gaat om andere schadeveroorzakende handelingen, dient een procedure bij de civiele rechter aanhangig te worden gemaakt.
6. In wat opposante heeft aangevoerd, ziet de verzetrechter geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 27 augustus 2021. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2022.
De griffier en rechter zijn verhinderd de uitspraak te tekenen.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.