Op 15 januari 2022 nam de burgemeester van Delft een crisismaatregel op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene. Betrokkene stelde dat hij ten onrechte niet was gehoord voorafgaand aan de maatregel en dat er geen sprake was van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel. Hij stelde beroep in en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank oordeelde dat de burgemeester onvoldoende had gemotiveerd waarom betrokkene niet was gehoord. De burgemeester had de hoorprocedure uitbesteed aan de Nationale Hoorservice, maar deze had alleen de receptie van de accommodatie gebeld waar betrokkene verbleef, zonder het eigen telefoonnummer te gebruiken. Dit was niet conform het protocol en onvoldoende om het hoorrecht te waarborgen. De rechtbank stelde dat het niet horen een schending van de wettelijke verplichtingen was en dat betrokkene daardoor in zijn belangen was geschaad.
Ten aanzien van het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel oordeelde de rechtbank dat de burgemeester terecht op de medische verklaring van een onafhankelijke psychiater mocht vertrouwen, die stelde dat de crisissituatie dermate ernstig was dat de procedure voor een zorgmachtiging niet kon worden afgewacht.
De rechtbank wees het beroep tegen dit onderdeel van de maatregel af maar verklaarde het beroep gegrond wegens het niet horen van betrokkene. Op grond daarvan kende de rechtbank een billijke schadevergoeding toe van €375 voor de immateriële schade die betrokkene had geleden door de onrechtmatige toepassing van de crisismaatregel. De proceskosten werden ieder voor eigen rekening genomen.