Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[naam01] ,
en
1.[naam03] ,
en
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Rotterdam
In deze kort geding procedure vordert eiser ontruiming van een bedrijfsruimte op grond van een opzegging van de huurovereenkomst. De kantonrechter beoordeelt of met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden voorspeld dat de bodemrechter de beëindigingsvordering zal toewijzen en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard.
De opzeggingsbrief vermeldt als grond dat de situatie tussen partijen onhoudbaar is en dat er nog vele geschillen zullen ontstaan. Deze grond is niet toereikend voor beëindiging van de huurovereenkomst. Hoewel eiser tijdens de zitting ook eigen gebruik wegens renovatie en financiële redenen aanvoerde, staan deze niet in de opzeggingsbrief, zodat de bodemrechter hier geen rekening mee kan houden.
De kantonrechter oordeelt dat het niet waarschijnlijk is dat de bodemrechter de beëindigingsvordering zal toewijzen. Ook acht hij het niet waarschijnlijk dat het verweer van de huurder kennelijk ongegrond zal worden verklaard, zodat het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard. Daarom wijst hij de vordering tot ontruiming af.
Daarnaast is in reconventie een ordemaatregel getroffen waarbij eiser twee brievenbussen op de buitenmuur moet plaatsen en de hoofdbrievenbus ontoegankelijk moet maken. De proceskostenveroordeling wordt toegewezen aan de zijde van de gedaagde en is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De vordering tot ontruiming wordt afgewezen wegens onvoldoende opzeggingsgrond en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad wat betreft proceskosten.