Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..De procedure
- de dagvaarding van 28 december 2021 ten aanzien van [bedrijf01] , met bijlagen 1A tot en met 10;
- de dagvaarding van 30 december 2021 ten aanzien van [gedaagde01] , met bijlagen 1A tot en met 10;
- de e-mail van 12 januari 2022 aan de zijde van [bedrijf01] , mede inhoudende een incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring, met bijlagen;
- de (eerste) conclusie van repliek;
- de e-mail van 15 februari 2022 aan de zijde van [gedaagde01] , met één bijlage;
- de (tweede) conclusie van repliek, met bijlagen 11 tot en met 15;
- de rolbeslissing van 13 mei 2022;
- de conclusie van antwoord in incident;
- het vonnis in incident van 8 juli 2022, waarbij het [bedrijf01] is toegestaan om [gedaagde01] in vrijwaring op te roepen (
- de brief van 25 juli 2022, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte vermeerdering van eis, met een bijlage.
2..De feiten
3..Het geschil
- [gedaagde01] en [bedrijf01] (hoofdelijk) te veroordelen aan hem te betalen € 1.087,50 aan schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente;
- [gedaagde01] en [bedrijf01] (hoofdelijk) te veroordelen tot betaling van
- [gedaagde01] en [bedrijf01] (hoofdelijk) te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente, en de nakosten;
- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.