Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..De procedure
- het vonnis in incident van 5 november 2021 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken, bij welk vonnis de kantonrechter [gedaagde01] heeft toegestaan om [gedaagde02] in vrijwaring op te roepen;
- het tussenvonnis van 29 april 2022 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken, waarbij een mondelinge behandeling is gelast (gelijktijdig met de vrijwaringszaak);
- de brief van 9 mei 2022, waarin een datum voor de mondelinge behandeling is bepaald;
- de brief van 4 juli 2022, waarin een nadere datum voor de mondelinge behandeling is bepaald.
- het tussenvonnis van 29 april 2022 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken, waarbij een mondelinge behandeling is gelast (gelijktijdig met de hoofdzaak);
- de brief van 9 mei 2022, waarin een datum voor de mondelinge behandeling is bepaald;
- de brief van 4 juli 2022, waarin een nadere datum voor de mondelinge behandeling is bepaald;
- de e-mailbericht van 3 november 2022 van de gemachtigde van [gedaagde02] , waarin is medegedeeld dat [gedaagde02] bewust geen verweer heeft gevoerd, hij zonder meer bereid is om een schikking te treffen, maar er door zijn persoonlijke omstandigheden geen enkele ruimte is om concrete afspraken te maken (de kantonrechter begrijpt: met betrekking tot een eventuele afbetalingsregeling). Verder is in dit bericht medegedeeld dat [gedaagde02] in verband met zijn voortdurende detentie niet op de mondelinge behandeling zal verschijnen en zijn gemachtigde ook niet.