Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..[gedaagde01] ,
2. [gedaagde02] ,
- [naam02] , bestuurder van [eiseres01] , en de gemachtigde van [eiseres01] ;
- [gedaagden01] met [naam03] (tolk Portugees met tolknummer [nummer01] ) en hun gemachtigde.
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak staat centraal of de verhuurder de huurprijs van een woning rechtsgeldig heeft verhoogd door middel van brieven verzonden in de jaren 2017 tot en met 2021. De huurder betwist de ontvangst van deze brieven, waardoor de voorgestelde huurverhogingen niet rechtsgeldig zijn geworden. De verhuurder heeft onvoldoende bewijs geleverd, zoals aangetekende verzending, om aan te tonen dat de huurder de brieven daadwerkelijk heeft ontvangen.
De kantonrechter stelt vast dat zonder ontvangst van een schriftelijk voorstel tot huurverhoging, conform artikel 7:252 lid 1 BW Pro en artikel 3:37 lid 3 BW Pro, de huurprijs niet kan worden verhoogd. Omdat de verhuurder dit niet heeft kunnen aantonen, is de huurprijs tot 1 juli 2022 ongewijzigd gebleven en bestaat er geen huurachterstand. Hierdoor is er ook geen grond voor ontbinding van de huurovereenkomst.
Verder is er onenigheid over de hoogte van de kale huurprijs vanaf 2019. De kantonrechter verklaart voor recht dat de kale huurprijs in de periode 2015-2021 en eind 2021 tot juli 2022 € 650,- per maand bedraagt, met uitzondering van de periode januari tot december 2021 waarin een kale huur van € 260,- geldt. Vanaf 1 juli 2022 is de kale huurprijs verhoogd naar € 664,95. De verhuurder wordt veroordeeld in de proceskosten en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De huurprijsverhogingen zijn niet rechtsgeldig door ontbrekend bewijs van ontvangst, waardoor de huurprijs tot 1 juli 2022 niet is verhoogd en de vorderingen van de verhuurder worden afgewezen.