De rechtbank Rotterdam behandelde op 6 april 2021 het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen, geboren in 2013, 2017 en 2020, die momenteel in een pleeggezin verblijven. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit, maar de kinderen zijn onder toezicht gesteld en uithuisgeplaatst vanwege verwaarlozing en een onveilige gehechtheidsrelatie.
De Raad verzocht primair om beëindiging van het ouderlijk gezag en benoeming van de gecertificeerde instelling (GI) tot voogd, subsidiair om ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. De GI ondersteunde het verzoek tot gezagsbeëindiging vanwege moeizame samenwerking met de moeder en onduidelijkheden over haar woonadres en geestelijke gezondheid. De moeder verzocht primair afwijzing van het gezagsbeëindigingsverzoek en terugplaatsing van de kinderen, met name van de jongste.
De rechtbank constateerde dat de kinderen in het pleeggezin tot rust komen en zich positief ontwikkelen, terwijl de situatie bij de moeder instabiel is. De samenwerking tussen moeder en GI is moeizaam en er is onvoldoende zicht op verbetering. Daarom verlengde de rechtbank de ondertoezichtstelling tot 18 oktober 2021 en de machtiging tot uithuisplaatsing tot 1 juli 2021. Het verzoek tot gezagsbeëindiging en het resterende deel van het uithuisplaatsingsverzoek werden doorverwezen naar de meervoudige kamer voor verdere behandeling.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de zitting voor de meervoudige kamer is gepland op 18 mei 2021. Hoger beroep kan binnen drie maanden na uitspraak worden ingesteld via het gerechtshof Den Haag.