Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1..[gedaagde 1] ,
1..De procedure
2..De feiten
Verwijt b: niet voorleggen van de tweede overeenkomst door de H.I.D..
Tijdstip waarop [eiser] had behoren om te zien naar ander perceel
Rechtbank Rotterdam
De zaak betreft een vordering van eiser tegen twee advocaten wegens beroepsfouten, met name het onjuist instellen van een request civiel en het verzuimen de verjaring van een vordering te stuiten. De kern van het geschil is dat de vordering tot nakoming van een overeenkomst met de provincie definitief onmogelijk werd door deze fouten.
De rechtbank stelt vast dat de tweede overeenkomst tussen de vader van eiser en de provincie nooit is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten, wat essentieel was voor de geldigheid. De beroepsfout van de advocaat bestond uit het verkeerd instellen van het request civiel, en de daaropvolgende fout van de andere advocaat was het laten verjaren van de vordering tegen die advocaat.
De rechtbank oordeelt dat, zelfs als het request civiel correct was ingesteld, de vordering niet tot toewijzing zou hebben geleid omdat Gedeputeerde Staten de tweede overeenkomst niet zouden hebben goedgekeurd. De toepassing van artikel 1296 oud Pro BW (thans 6:23 BW) leidt niet tot het tot stand komen van de overeenkomst omdat het beslissingsorgaan niet betrokken was bij het niet tot stand komen.
Daarom is geen sprake van schade door de beroepsfouten en worden de vorderingen afgewezen. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Vordering afgewezen wegens geen schade door beroepsfouten en verjaring; eiser veroordeeld in proceskosten.