In deze kortgedingprocedure vordert eiseres de opheffing van het beslag dat gedaagde op 17 september 2021 heeft gelegd op de overwaarde van een verkochte woning. Gedaagde stelt dat zij grote bedragen aan haar zoon heeft geleend, waarvoor eiseres hoofdelijk aansprakelijk is, en baseert haar vordering op diverse leningsovereenkomsten en facturen.
Eiseres bestrijdt de omvang en de onderbouwing van de vordering, wijst op inconsistenties in de bedragen en het ontbreken van bewijs dat het geld daadwerkelijk afkomstig is van gedaagde. De voorzieningenrechter overweegt dat de vordering en de stukken zoveel vragen oproepen dat de vordering summierlijk ondeugdelijk is.
Bij de belangenafweging weegt mee dat eiseres de vrijkomende gelden nodig heeft voor nieuwe huisvesting en dat gedaagde voldoende verhaalsmogelijkheden behoudt, mede omdat zij geen beslag op de hoofdschuldenaar heeft gelegd. De vrees voor verduistering is onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank besluit het beslag op de gelden uit de verkoop van de woning op te heffen en veroordeelt gedaagde in de proceskosten. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.