In deze zaak vordert eiseres betaling van achterstallige huur over de periode november 2015 tot mei 2019, kosten voor het plaatsen van nieuwe sloten en buitengerechtelijke incassokosten. Gedaagde betwist gedeeltelijk de huurachterstand en stelt contante betalingen en maandelijkse aflossingen te hebben gedaan, maar onderbouwt dit onvoldoende met stukken.
De kantonrechter stelt vast dat gedaagde onvoldoende bewijs heeft geleverd voor haar stellingen, waardoor geen bewijslevering wordt toegelaten. De vordering tot betaling van €19.600,- huurachterstand wordt daarom toegewezen, evenals de wettelijke rente vanaf dagvaarding. Tevens wordt toegewezen dat gedaagde de woning onrechtmatig onder zich hield door de sleutels niet in te leveren, waardoor de kosten van €150,- voor het vervangen van de sloten voor haar rekening komen.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van €981,- worden afgewezen omdat de vereiste veertiendagenbrief ontbreekt. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken op 23 oktober 2020.