De Raad voor de Kinderbescherming heeft een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van het minderjarige kind verzocht vanwege ernstige bedreiging van de ontwikkeling van het kind. De moeder is na de geboorte psychiatrisch opgenomen geweest en vertoont een verwarde toestand, waardoor het kind bij de tante moederszijde is geplaatst. De moeder ontvangt begeleiding en ondersteuning, maar haar situatie is nog onvoldoende stabiel.
De vader is onzeker over zijn biologische verwantschap met het kind en wacht af. De moeder is het niet eens met het verzoek en wil meer contactmomenten met het kind. De kinderrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld met een beëdigde tolk vanwege taalbarrière.
Uit de stukken en zitting blijkt dat het kind rust en stabiliteit nodig heeft en dat de moeder onvoldoende beschikbaar is om voor het kind te zorgen. De kinderrechter oordeelt dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing noodzakelijk zijn voor de verzorging en opvoeding van het kind. De beschikking is mondeling gegeven en schriftelijk vastgesteld op 15 september 2020.