ECLI:NL:RBROT:2020:8572

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 augustus 2020
Publicatiedatum
30 september 2020
Zaaknummer
C/10/602211 / FA RK 20-6092
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:7 WvggzArt. 7:7 WvggzArt. 1:1 lid 1 WvggzArt. 3:2 lid 1 WvggzHR 5 juni 2020 ECLI:NL:HR:2020:1012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek voortzetting crisismaatregel Wvggz wegens niet-naleving medische verklaring

De officier van justitie verzocht bij de rechtbank Rotterdam om voortzetting van een crisismaatregel op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Dit verzoek was gebaseerd op een medische verklaring van een psychiater die betrokkene recentelijk nog had behandeld.

De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 5:7, aanhef onder d, Wvggz de psychiater die de medische verklaring opstelt minimaal één jaar geen zorg aan betrokkene mag hebben verleend. In deze zaak had de psychiater betrokkene tot 10 januari 2020 onderzocht en medicatie aangepast, waardoor niet aan deze voorwaarde werd voldaan.

De Hoge Raad heeft bevestigd dat deze termijn strikt moet worden nageleefd zonder ruimte voor belangenafweging. Omdat de medische verklaring niet aan deze eis voldeed, kon het verzoek niet worden aanvaard. Daarnaast stelde de psychiater dat de toestand van betrokkene stabiel was en geen direct risico op terugval bestond.

De rechtbank verklaarde het verzoek van de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk. Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: Verzoek tot voortzetting crisismaatregel niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-naleving wettelijke eis medische verklaring.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/602211 / FA RK 20-6092
Betrokkenenummer: [nummer]
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 13 augustus 2020 betreffende een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel als bedoeld in artikel 7:7 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)
op verzoek van:
de officier van justitie in het arrondissement Den Haag,hierna: de officier,
met betrekking tot:
[naam betrokkene],
geboren op [geboortedatum betrokkene] , [geboorteplaats betrokkene] ,
hierna: betrokkene,
wonende te [adres betrokkene] , [woonplaats betrokkene] ,
thans verblijvende in Yulius aan [verblijfadres betrokkene] , [verblijfplaats betrokkene] ,
advocaat mr. A.W. Grijseels te Rotterdam.

1..Procesverloop

1.1.
Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 10 augustus 2020, heeft de officier verzocht om voortzetting van de op 7 augustus 2020 opgelegde crisismaatregel.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
  • een afschrift van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 12 augustus 2020 waarin de behandeling van het verzoek van de officier is verwezen naar de rechtbank Rotterdam;
  • een afschrift van de beslissing van deze rechtbank van 6 januari 2020 tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel;
  • een afschrift van de beslissing tot het nemen van de crisismaatregel van 7 augustus 2020;
  • de medische verklaring opgesteld door [naam] , psychiater, van 7 augustus 2020;
  • de gegevens over eerder afgegeven machtigingen op grond van de Wet Bopz en de Wvggz;
  • de relevante politiegegevens en de strafvorderlijke- en justitiële gegevens van betrokkene.
1.2.
De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 12 augustus 2020 de behandeling van het verzoek verwezen naar de rechtbank Rotterdam.
1.3.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2020. Bij die gelegenheid zijn (overeenkomstig artikel 2 lid 1 van Pro de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid) via geluidverbinding gehoord:
  • betrokkene met zijn hiervoor genoemde advocaat;
  • [naam] , psychiater, verbonden aan Yulius.
1.4.
De officier is niet ter zitting gehoord, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.

2..Beoordeling

Ontvankelijkheid
2.1.
Op grond van artikel 5:7, aanhef onder d, Wvggz dient de psychiater die de medische verklaring opstelt minimaal één jaar geen zorg aan betrokkene te hebben verleend. De psychiater die onderhavige medische verklaring op 7 augustus 2020 heeft opgesteld heeft en ook weer ter zitting aanwezig is, heeft aldaar verklaard dat zij in de periode tot en met 10 januari 2020 betrokkene psychiatrisch heeft onderzocht en zijn medicatie heeft aangepast. Dergelijke handelingen vallen onder het begrip zorg in de Wvggz, zoals dat in de artikelen 1:1 lid 1, onder v en 3:2 lid 1 Wvggz is geregeld (zie ook HR 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1012, r.o. 4.1.3.). Het voorgaande leidt ertoe dat aan de voorwaarde van artikel 5:7, aanhef onder d, Wvggz in dit geval niet is voldaan.
2.2.
De Hoge Raad heeft recentelijk geoordeeld dat de bewoordingen van artikel 5:7, aanhef onder d, Wvggz en de strekking daarvan geen ruimte bieden voor een belangenafweging bij de beoordeling of een medische verklaring als grondslag voor de verzochte machtiging kan worden aanvaard, indien de termijn van één jaar niet in acht is genomen (HR 5 juni 2020 ECLI:NL:HR:2020:1012, r.o. 4.1.2.). De Hoge Raad overweegt daarbij dat de wetgever met dit voorschrift heeft willen voorkomen dat de psychiater een dusdanige band met betrokkene heeft opgebouwd dat deze band een obstakel zou kunnen zijn voor het vormen van een onafhankelijk oordeel.
Nu de termijn van één jaar in de zin artikel 5:7, aanhef onder d, Wvggz in dit geval niet in acht is genomen, voldoen de medische verklaring en daarmee het verzoek van de officier niet aan de eisen die de wet eraan stelt.
2.4.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek.
2.3.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het toestandsbeeld van betrokkene momenteel stabiel is. De psychiater heeft ter zitting verklaard dat de psychotische klachten van betrokkene zijn verbleekt, omdat betrokkene geen middelen meer heeft gebruikt. Op korte termijn bestaat dus geen risico op een terugval in fysieke en verbale agressie.

3..Beslissing

De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Deze beschikking is op 13 augustus 2020 mondeling gegeven door mr. L.M. Coenraad, rechter, in tegenwoordigheid van V. Merkouris, griffier, en op 19 augustus 2020 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.