Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..Het verloop van de procedure
- het exploot van dagvaarding van 8 april 2020, met producties;
- de aantekeningen van 29 april 2020 van het mondelinge antwoord van [gedaagde] ;
- het aanvullende antwoord van [gedaagde] van 10 juli 2020, met producties;
- het e-mailbericht van 10 juli 2020 aan de zijde van [eiseres] , inhoudende een uittreksel van de KvK, met producties;
- het tussenvonnis van 24 juli 2020 waarbij een mondelinge behandeling is gelast.
2..De vaststaande feiten
- om vanaf 7 februari 2020 en zolang [eiseres] ziek is aan [eiseres] te betalen € 1.267,00 bruto per maand (70% van het brutoloon van € 1.810,00 exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten) en € 1.810,00 bruto per maand (exclusief vakantiebijslag en overig emolumenten) vanaf het moment waarop zij is hersteld, een en ander tot aan het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig tot een einde is gekomen;
- tot betaling van de wettelijke verhoging van 20% op grond van artikel 7:625 BW Pro over het salaris over de maanden februari 2020 tot en met mei 2020;
- tot betaling van de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW Pro over het loon over de maanden februari 2020 tot en met mei 2020 en over de toegewezen wettelijke verhoging, een en ander gerekend vanaf de verschillende data van opeisbaarheid tot aan de dag van de volledige betaling;
- tot betaling van € 40,00 aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten;
- tot betaling van de kosten van de procedure.
3..De vordering
- het loon ten bedrage van € 1.810,00 bruto per maand over de periode van februari tot april 2020, dat wil zeggen een bedrag van € 3.820,00 bruto;
- het loon ten bedrage van € 1.810,00 bruto per maand dat is verschuldigd voor iedere maand vanaf april 2020 tot aan het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd;
- de vakantiebijslag over de periode van februari tot april 2020 ten bedrage van 8% over het brutoloon en de vakantiebijslag over de toekomstige periode vanaf april 2020 tot aan het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd;
- de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro over alle gevorderde loonbedragen;
- de wettelijke rente over de som van voornoemde bedragen, voor wat betreft de bedragen die opeisbaar zijn op het tijdstip van dagvaarden vanaf februari 2020 en voor wat betreft de bedragen die nadien opeisbaar zijn geworden vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van die bedragen tot aan de dag van de betaling;
- een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 11 maart 2020 tot aan de dag van de betaling;