Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..Het verdere verloop van de procedure
- het tussenvonnis van 13 juni 2019 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- de akte houdende uitlating bewijs van de zijde van [gedaagde] ;
- de akte van de zijde van [eiser] van 3 oktober 2019;
- de akte van de zijde van [gedaagde] van 27 januari 2020;
- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 12 februari 2020, waar
- de brief van [gedaagde] van 21 februari 2020 met daarbij een geluidsbestand;
- het proces-verbaal van getuigenverhoor en comparitie van partijen van 6 maart 2020;
- de brief van [eiser] van 16 maart 2020 met daarbij een geluidsbestand;
- de akte reactie op brief van [gedaagde] van 19 maart 2020;
- de conclusies na enquête van de zijde van beide partijen van 16 april 2020.
2..De verdere beoordeling in conventie en in reconventie
“binnen een straal van 30 kilometer (…) werkzaamheden voor derden te verrichten”moet worden uitgelegd.
Als ik een medewerker ophaal van Schiphol, dan breng ik die persoon naar Moerdijk en daar krijgen ze bijvoorbeeld een sleutel of een auto. Dat komt regelmatig voor, soms 1 keer per maand, maar ook wel 2 keer in een week.’.Daar bedoelt hij kennelijk mee te stellen dat deze activiteiten niet behoren tot
‘werkzaamheden voor derden’.
derde’ staat tegenover [gedaagde] als werkgever). Dat volgt ook uit de rest van de bewoordingen van het beding, waar staat geschreven ‘
gelijk of gelijksoortig aan de werkzaamheden die werkgever verricht’. Van [naam bedrijf 1] staat tussen partijen vast dat het gelijke of gelijksoortige werkzaamheden verricht en dus een concurrerende onderneming is. Daarmee is [naam bedrijf 1] te beschouwen als “een derde” in de zin van het onderhavige concurrentiebeding. De kantonrechter legt het beding aldus uit.
“Dat klopt. We hebben er een aantal afdelingen. Als ik een medewerker ophaal van Schiphol, dan breng ik die persoon naar Moerdijk en daar krijgen ze bijvoorbeeld een sleutel of een auto. Dat komt regelmatig voor, soms 1 keer per maand, maar ook wel 2 keer in een week.”.Zij acht die verklaring niet te rijmen met de observaties van LRB.