Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2020:3496

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 april 2020
Publicatiedatum
16 april 2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1587
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij weigering Verklaring Omtrent het Gedrag

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Na afwijzing van het bezwaar en het niet tijdig betalen van het griffierecht werd het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker tekende verzet aan tegen deze beslissing en vroeg vervolgens om een voorlopige voorziening voor een spoedige behandeling van het verzet.

De voorzieningenrechter beoordeelde of er sprake was van een spoedeisend belang om de voorlopige voorziening toe te wijzen. Verzoeker stelde dat hij op het punt stond af te studeren en dat een snelle beslissing noodzakelijk was om zijn kansen op het verkrijgen van de VOG te behouden. Echter, verzoeker kon dit niet met concrete stukken onderbouwen, zoals een afstudeerdatum of een concreet werkvoorstel.

De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen sprake was van onomkeerbare gevolgen die een spoedige beslissing vereisten. Bovendien zou een succesvolle beoordeling van het verzet niet direct leiden tot het verkrijgen van de VOG, aangezien de beroepsprocedure nog moest volgen. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen zonder zitting en zonder dat verzoeker werd gehoord. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de weigering van de VOG is afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 20/1587
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 april 2020 als bedoeld in artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[Naam], te [Plaats], verzoeker,

gemachtigde: mr. M. Kuipers,
en
de Minister voor Rechtsbescherming, verweerder,
gemachtigde: mr. A.L. de Gier.

Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het afwijzen van een VOG ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen voornoemd besluit beroep ingesteld.
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 22 oktober 2019 dit beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat niet tijdig het volledige griffierecht betaald was.
Verzoeker heeft verzet aangetekend tegen voornoemde uitspraak van de rechtbank.
Deze procedure is bekend onder zaaknummer 19/3232 en loopt nog.
Vervolgens heeft verzoeker op 23 maart 2020 een voorlopige voorziening ingediend.

Overwegingen

1. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of in een eventuele beroepsprocedure.
2. Aan (de gemachtigde van) verzoeker is verzocht de spoedeisendheid van het verzoek toe te lichten. Bij brief van 10 april 2020 hebben de gemachtigde van verzoeker en verzoeker de spoedeisendheid nader toegelicht en aangegeven dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij een snelle beslissing, omdat hij al reeds een maandenlange procedure heeft
doorlopen om zijn VOG te verkrijgen. Het verzet dient weliswaar niet direct ter verkrijging van de VOG, maar een spoedige behandeling van het verzet is wel noodzakelijk omdat verzoeker op het punt staat af te studeren en alleen de beslissing op verzet ertoe kan leiden dat verzoeker in ieder geval de kans krijgt om in de beroepszaak de VOG voor de functie van advocaat te bemachtigen.
Verder wil verzoeker gehoord worden in de voorlopige voorzieningenprocedure om zijn gronden nader toe te lichten. Verzoeker wil ook graag in de verzetprocedure gehoord worden.
3. Alvorens over te kunnen gaan tot de (inhoudelijke) beoordeling van dit geschil
- te weten een spoedige behandeling van de verzet-procedure over het niet volledig betalen van het griffierecht -, dient om een voorlopige voorziening te kunnen treffen er sprake te zijn van een spoedeisend belang.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verzoek van verzoeker niet spoedeisend is. Verzoeker heeft niet aangetoond met concrete stukken dat hij in de afrondende fase van zijn studie zit omdat er geen datum is aangegeven wanneer de studie afgerond gaat worden. Verder heeft verzoeker ook niet aangetoond dat en wanneer hij dan aan de slag zou kunnen als advocaat door bijvoorbeeld een concreet voorstel voor werk of een geslaagde sollicitatie te overleggen. Ook is anderszins niet gebleken dat er onomkeerbare gevolgen voor verzoeker zijn dat de verzet-procedure niet afgewacht zou kunnen worden. Verder merkt de voorzieningenrechter op dat met een eventuele geslaagde beoordeling van het verzet verzoeker ook nog geen VOG heeft. Dit ligt dan pas voor in die beroepsprocedure. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb, uitspraak kan doen zonder zitting en verzoeker ook niet zal horen.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. de Vries, griffier. De uitspraak is gedaan op 17 april 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.
De griffier is buiten staat De voorzieningenrechter is verhinderd te tekenen
griffier voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.