De rechtbank Rotterdam heeft op 22 januari 2020 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen een veroordeelde die is veroordeeld voor hennepteelt en diefstal van stroom. De ontnemingsvordering is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en betreft het bedrag dat de veroordeelde wederrechtelijk heeft verkregen door de hennepteelt in de periode van 13 december 2016 tot en met 12 juni 2018.
De officier van justitie vorderde ontneming van €79.299,39, nadat het door Stedin berekende schadebedrag van €3.604,55 wegens stroomdiefstal in mindering was gebracht op het totale voordeel van €82.903,94. De verdediging voerde aan dat er geen sprake was van wederrechtelijk verkregen voordeel omdat er slechts één mislukte oogst was geweest, maar de rechtbank verwierp dit verweer op basis van overtuigend bewijs van meerdere oogsten.
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op zeven oogsten met een groeicyclus van tien weken per oogst, waarbij per oogst minimaal 112 hennepplanten stonden met een opbrengst van 28,2 gram per plant. De bruto opbrengst per oogst werd geraamd op €12.854,70, waartegen de kosten van €1.011,28 per oogst werden afgezet. De rechtbank heeft het netto voordeel vastgesteld op €79.299,39 en de veroordeelde verplicht tot betaling van dit bedrag aan de staat.
Er zijn geen aanwijzingen dat de veroordeelde niet in staat zal zijn dit bedrag te voldoen. De rechtbank bepaalde tevens dat de duur van de gijzeling maximaal 540 dagen kan bedragen indien nodig. De beslissing is genomen door de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam onder voorzitterschap van K.A. Baggerman.