Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 3 juli 2019;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 27 augustus 2019;
- de brief met bijlagen van de zijde van de man van 28 augustus 2019.
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. Houben;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat mr. Smits;
- de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), ter zitting vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger]
2.De vaststaande feiten
- de minderjarige heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw;
- de minderjarige verblijft de ene week van dinsdag uit school tot woensdag voor school bij de man, alsmede van vrijdag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur en de andere week van woensdag uit school tot vrijdag voor school;
- de vakanties en feestdagen worden bij helfte verdeeld;
- ouders spreken af dat ze niet verder dan 30 kilometer of een maximale reisafstand van 30 minuten van elkaar gaan wonen totdat de minderjarige van de basisschool af is en op eigen gelegenheid naar de andere ouder kan gaan vanuit de middelbare en/of hogeschool;
- de ouder die door persoonlijke of zakelijke omstandigheden wenst te verhuizen waarbij er sprake is van een afstand langer dan 30 kilometer of 30 minuten reisafstand van de ouder die niet verhuist, zal dit eerst aan de andere ouder voorleggen. Mocht er geen overeenstemming tussen de ouders worden bereikt, dan zal de ouder die verhuizen wil hiervoor vervangende toestemming van de rechter vragen.
3.De beoordeling
- de noodzaak om te verhuizen;
- een goede voorbereiding van de verhuizing;
- het aanbieden van alternatieven of compensatie voor de verminderingen van de contactmogelijkheden met de andere ouder;
- de mate waarin ouders nog in staat zijn tot overleg;
- de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving;
- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;
- de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de verhuizing;
- de leeftijd van de minderjarige en de mate waarin de minderjarige geworteld is in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen;
- de extra kosten van omgang na de verhuizing;
- de bestendigheid van de nieuwe relatie van de verhuizende ouder.