Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 september 2019 in de zaak tussen
CAIW Holding B.V. (CAIW), te Naaldwijk, eiseres,
Autoriteit Consument en Markt (ACM), verweerster,
Eredivisie Media & Marketing C.V. (EMM), te Den Haag,
Procesverloop
[naam 1] (legal counsel bij CAIW). Tevens was aanwezig M. Visser , econoom en partner bij RBB Economics. ACM heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden. Voor EMM is verschenen haar gemachtigde, bijgestaan door
mr. X.Y.G. Versteeg (kantoorgenoot van de gemachtigde), [naam 2] en [naam 3] (managing director bij EMM).
Overwegingen
- ACM maakt een onjuiste doelmatigheidsafweging;
- ACM miskent dat er sterke aanwijzingen zijn voor een economische machtspositie van EMM;
- ACM miskent het discriminatoire handelen van EMM;
(1) hoe schadelijk is het gedrag waarop het verzoek ziet voor de consumentenwelvaart,
(2) hoe groot is het maatschappelijk belang bij het optreden van ACM en
(3) in hoeverre is ACM in staat doeltreffend en doelmatig (kosten-batenanalyse) op te treden. ACM beziet en weegt de scores op deze criteria in samenhang af. Aan de hand van de drie criteria bepaalt ACM aan welke verzoeken om handhaving of signalen zij prioriteit geeft.
verbodenprijsdiscriminatie. Om te bepalen of de verschillende vergoedingensystemen de concurrentie op de downstreammarkt kunnen verstoren moet het verschil in prijs in kaart worden gebracht, tegen de achtergrond van de prikkel die uitgaat van het betreffende vergoedingensysteem. Daarnaast zouden de aard en het belang van het prijsverschil en de kostenstructuur van de distributeurs in het licht van de bundeling in dual of triple play moeten worden onderzocht. Tegen deze achtergrond is nader onderzoek vereist naar de vraag of het door CAIW gestelde financieel nadeel dat zij tijdelijk (tot 2020) heeft ten opzichte van VodafoneZiggo kwalificeert als een wezenlijk concurrentienadeel in de context van artikel 24 van Pro de Mw. ACM concludeert dat op basis van de gevolgen van het nieuwe distributiemodel onvoldoende aanknopingspunten bestaan om een verboden vorm van prijsdiscriminatie vast te kunnen stellen.