Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de meervoudige kamer van 29 januari 2019 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,
VGZ Zorgkantoor B.V., verweerster.
Procesverloop
Overwegingen
.
Rechtbank Rotterdam
Eiseres ontving zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) van een zorgverlener die door verweerster, VGZ Zorgkantoor, is afgekeurd. Verweerster stelde dat de zorgovereenkomst en de feitelijk geleverde zorg niet overeenkwamen, met diverse onduidelijkheden en discrepanties in de zorgbeschrijving, facturatie en daadwerkelijke zorgverlening.
De rechtbank oordeelde dat de brief van verweerster van 14 februari 2018 gelijkgesteld moet worden aan een besluit en dat het beroep tegen het bestreden besluit van 8 mei 2018 ongegrond is. De rechtbank volgde de uitleg van verweerster dat de zorgovereenkomst moet aansluiten bij de feitelijke zorg en dat dit niet het geval was. Ondanks toelichtingen van eiseres en haar bewindvoerder bleven er te veel onduidelijkheden bestaan.
De rechtbank vond dat verweerster in redelijkheid tot afkeuring van de zorgverlener heeft kunnen besluiten, mede gelet op eerdere vergelijkbare situaties waarin eiseres het voordeel van de twijfel kreeg. De bewindvoerder controleerde de facturen onvoldoende nauwkeurig en er ontbrak een betrouwbare registratie van de feitelijk verleende zorguren.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het besluit tot afkeuring van de zorgverlener en weigering betaling via het pgb is ongegrond verklaard.