Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 maart 2019 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,
de burgemeester van de gemeente Rotterdam, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
[café 2] en voor Eetcafé [café 3] , zoals [café 1] toen nog was genaamd, waarvan [bestuurder 1] en [bestuurder 2] (mede) beheerder zijn.
Bij besluiten van 18 september 2014 en 9 april 2015 heeft verweerder de sluitingstijden van [café 1] voor twee weken teruggebracht. Op 5 juni 2015 heeft eiseres een waarschuwing gekregen omdat een illegale portier werkzaamheden heeft verricht bij [café 2] . Op 19 januari 2017 heeft er een politiecontrole plaatsgevonden bij [café 1] . Vervolgens is er door de politie en het Openbaar Ministerie een nader onderzoek ingesteld en heeft op 25 januari 2017 om 23.25 uur een doorzoeking in [café 1] plaatsgevonden door de politie.
11 januari 2017 bijschrijving als beheerder van [café 1] heeft aangevraagd - vier gokbonnen en bij beheerder [naam 2] ( [naam 2] ) vijf gokbonnen aangetroffen en is in het toilet/de doucheruimte 23,7 gram cannabis aangetroffen.
[café 2] in te trekken. Onder verwijzing naar de onder 1.2 genoemde incidenten, in het bijzonder hetgeen op 25 januari 2017 heeft plaatsgevonden, stelt verweerder dat zich bij de exploitatie van [café 1] herhaaldelijk overtredingen en ernstige strafbare feiten hebben voorgedaan. Voorts heeft verweerder gewezen op de feiten die zich op 16 april 2015 bij [café 2] hebben voorgedaan en meer recent bij andere horeca-inrichtingen van eiseres in [plaats 1] ( [naam inrichting 1] ) en [plaats 2] ( [naam inrichting 2] ), in verband waarmee de burgemeesters van die gemeenten op 31 augustus 2017 respectievelijk 19 september 2017 de betreffende exploitatievergunning en/of vergunning op grond van de Drank- en Horecawet (DHW) hebben ingetrokken. Verweerder stelt dat aan het besluit van de burgemeester van [plaats 1] ten grondslag ligt dat zich in en rond [naam inrichting 1] diverse (ernstige) incidenten hebben voorgedaan, waaronder schietincidenten die niet zijn gemeld bij de politie, betrokkenheid van portiers bij geweldsincidenten, het aantreffen van een wapen in de inrichting en aanwijzingen van drugsgebruik, terwijl aan het besluit van de burgemeester van [plaats 2] ten grondslag ligt dat er illegaal is gegokt in [naam inrichting 2] en dat er vermoedens bestaan van schijnbeheer. Volgens verweerder zijn de exploitanten er niet in geslaagd om voldoende toezicht te houden op hun horeca-inrichtingen en zo nodig maatregelen te nemen om te voorkomen dat zich (strafbare) feiten voordoen die de openbare orde en het woon- en leefklimaat nadelig beïnvloeden. Verweerder meent dat de exploitanten te allen tijde verantwoordelijk zijn voor de exploitatie van hun inrichtingen en dat de incidenten dan ook aan hen kunnen worden toegerekend. Daarnaast stelt verweerder dat de incidenten zozeer zijn verbonden aan de persoon van de exploitanten dat hij het vertrouwen in hen is verloren en gevreesd moet worden dat zich ook (opnieuw) bij de exploitatie van [café 2] in de toekomst incidenten zullen voordoen, waardoor hij op grond van artikel 2:28, zesde lid, aanhef en onder a, van de APV bevoegd was om de exploitatievergunning in te trekken. Verweerder acht voorts aannemelijk dat de exploitanten dan wel de beheerder(s) betrokken zijn geweest bij de strafbare feiten of ter zake ernstig nalatig zijn geweest, dan wel dat de exploitanten of beheerder(s) hebben toegestaan of gedoogd dat strafbare feiten zijn gepleegd, zodat hij op grond van artikel 2:28, zesde lid, aanhef en onder c, van de APV bevoegd was om de exploitatievergunning in te trekken. Verder stelt verweerder dat nu de sluitingstijd meerdere malen is overtreden, meerdere malen is geconstateerd dat er geen exploitant of beheerder in de inrichting aanwezig was en niet is gemeld dat de exploitatie van [café 1] in januari 2017 was overgenomen door [naam 2] , sprake is geweest van diverse overtredingen van afdeling 8 van de APV, zodat hij op grond van artikel 2:28, zesde lid, aanhef en onder g, van de APV bevoegd was om de exploitatievergunning voor [café 2] in te trekken. Verweerder verwijst daarbij naar zijn beleid zoals neergelegd in de Horecanota 2017-2021 (de Horecanota).
Eiseres stelt dat er in [plaats 2] nooit schijnbeheer is geconstateerd, terwijl evenmin is geconstateerd dat er werd gegokt. Eiseres erkent dat zij in het verleden vergissingen heeft gemaakt, maar stelt dat zij maatregelen heeft genomen waardoor bepaalde incidenten niet meer hebben plaatsgevonden. Volgens eiseres voldoet de exploitatie van [café 2] aan alle eisen die verweerder kan stellen en doen de constateringen in [café 1] daaraan niet af. De intrekking van de exploitatievergunning van [café 2] is volgens haar disproportioneel en in strijd met het subsidiariteitsbeginsel. Ten slotte voert eiseres aan dat sprake is van ongelijke behandeling en strijd met het verbod van willekeur; zo is bijvoorbeeld café [naam inrichting 3] in de afgelopen twee jaar diverse malen gesloten onder meer vanwege overtredingen van de Opiumwet en de Wet wapens en munitie en mag die zaak steeds weer open.