De rechtbank Rotterdam behandelde een zaak over de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap tussen een man en vrouw na hun echtscheiding. Partijen waren het eens over diverse vermogensbestanddelen, zoals de woning, pensioenpolis en auto's, maar niet over de waarde van aandelen in een vennootschap waarvan de man directeur-grootaandeelhouder is. De rechtbank bepaalde de waarde van deze aandelen op basis van de meest recente financiële stukken per 31 december 2017, waarbij correcties voor effecten, goodwill en belastinglatenties werden meegenomen. De aandelen werden aan de man toegedeeld, met een verplichting tot betaling van de helft van de netto waarde aan de vrouw.
Verder werd de rekening-courantschuld van de man aan de vennootschap vastgesteld per 31 december 2016 en verdeeld tussen partijen. De vrouw vroeg een partneralimentatie van €6.496,80 bruto per maand, welke werd vastgesteld op een netto bedrag van €3.570 per maand, rekening houdend met haar emigratie naar Israël en de fiscale gevolgen daarvan. De rechtbank verwierp het behoefteverweer van de man als strijdig met de goede procesorde en berekende zijn draagkracht op basis van een bruto jaarsalaris van €200.000 en zijn winstaandeel in een maatschap.
Het verzoek van de man om de alimentatie te limiteren tot 1 januari 2023 werd afgewezen vanwege het ingrijpende karakter van een limitering en het gebrek aan voldoende onderbouwing. De rechtbank bepaalde dat elk van de partijen de eigen proceskosten draagt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en partijen kunnen binnen drie maanden hoger beroep instellen.