ECLI:NL:RBROT:2018:8017

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 januari 2018
Publicatiedatum
27 september 2018
Zaaknummer
99/99999-99
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 177 SvArt. 181 lid 1 SvArt. 126ng lid 2 SvArt. 3 Politiewet 2012Art. 141 Sv
Verwijzingen
14 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot inzage web-e-mailaccount door politie wegens onbevoegdheid rechter-commissaris

In deze strafzaak heeft de officier van justitie een vordering ingediend bij de rechter-commissaris om de politie opdracht te geven de inhoud van een web-e-mailaccount van verdachte te bekijken. De rechter-commissaris beoordeelde de bevoegdheid tot het verlenen van deze machtiging en concludeerde dat artikel 126ng, tweede lid, Sv niet van toepassing is, omdat deze bevoegdheid niet aan de rechter-commissaris toekomt maar aan de officier van justitie op machtiging van de rechter-commissaris.

Verder werd overwogen dat artikel 177, eerste lid, Sv de rechter-commissaris weliswaar een ongeclausuleerde mogelijkheid geeft om opsporingshandelingen op te dragen, maar niet een onbeperkte bevoegdheid creëert die andere waarborgen opzij zet. Het lezen van e-mail maakt een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, waarvoor geen specifieke wettelijke grondslag bestaat in het Wetboek van Strafvordering.

De rechter-commissaris verwees naar de jurisprudentie van de Hoge Raad (smartphonearrest) en concludeerde dat het lezen van e-mails niet valt onder een zeer ingrijpende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer die toezicht door de rechter-commissaris vereist. De officier van justitie is zelf bevoegd om deze opsporingshandeling te verrichten. Daarom werd de vordering afgewezen.

Uitkomst: De vordering tot inzage van het web-e-mailaccount door de politie wordt afgewezen wegens onbevoegdheid van de rechter-commissaris.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

BESCHIKKING VORDERING EX ART. 181 LID 1 SV Pro
Parketnummer : […]
RC-nummer : […]
De rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Rotterdam heeft op […] van de officier van justitie […] een vordering tot het verrichten van onderzoekshandelingen ex art. 181, lid 1, Sv ontvangen, in de strafzaak tegen de verdachte
[…]

1..Strekking vordering

De vordering strekt ertoe dat de rechter-commissaris de politie opdracht geeft de inhoud van een web-e‑mailaccount te bekijken.

2..Beoordeling

2.1.
In de vordering wordt verwezen naar artikel 126ng, tweede lid, Sv. Echter, de bevoegdheid in dat artikel gegeven komt niet de rechter-commissaris toe, maar de officier van justitie, op machtiging van de rechter-commissaris. Die machtiging wordt echter niet gevorderd en evenmin is er sprake van een voorgenomen vordering van de officier van justitie aan het adres van een aanbieder van een communicatiedienst. De verwijzing naar dat artikel doet dan ook niet ter zake.
2.2.
Artikel 177, eerste lid, Sv geeft de rechter-commissaris een ongeclausuleerde mogelijkheid om opsporingshandelingen op te dragen aan anderen dan de officier van justitie. Dat betekent echter niet dat hiermee een ongelimiteerde bevoegdheid van de rechter-commissaris wordt gecreëerd, die alle waarborgen die in afzonderlijke bepalingen met betrekking tot opsporing en bijzondere opsporingsmethoden zijn opgenomen, opzij zet. Artikel 177, eerste lid, Sv is een bepaling die de rechter-commissaris de bevoegdheid geeft instructies te verstrekken een opsporingsambtenaar, buiten de kaders van de normale ambtelijke gezagsketen van de betreffende opsporingsambtenaar om. De bepaling moet logischerwijs zo worden begrepen dat zij de rechter-commissaris bevoegd maakt onderzoek op te dragen waartoe de betreffende opsporingsambtenaar zelf al bevoegd is.
2.3.
In deze zaak gaat het erom dat de officier van justitie de politie wil laten inloggen op het web-e‑mailaccount van een verdachte en zijn e-mail wil lezen. Dit handelen maakt een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van geadresseerde en de verzender. Er zijn grofweg twee mogelijkheden:
deze inbreuk vereist een specifieke wettelijke grondslag;
deze inbreuk kan worden geschaard onder de algemene opsporingsbevoegdheden die artikel 3 van Pro de Politiewet 2012 en artikel 141 van Pro het Wetboek van Strafvordering bieden.
2.3.1.
ad a.
Voor deze handeling kent het Wetboek van Strafvordering geen specifieke wettelijke grondslag. E-mail is geen post en valt niet onder het briefgeheim zoals omgeschreven in de Grondwet; de bepalingen met betrekking tot het openen van poststukken zijn dan ook niet van toepassing. Het lezen van e-mail is geen inbeslagname, dus ook die regels bieden geen aanknopingspunt. Als uit moet worden gegaan van het vereiste van een specifieke wettelijke grondslag, dan biedt 177 Sv geen soelaas en moet de vordering worden afgewezen omdat de rechter-commissaris niet bevoegd is het onderzoek op te dragen.
2.3.2.
ad b.
2.3.2.1.
Voor zover de algemene opsporingsbevoegdheid de grondslag biedt voor de gewenste handeling is betrokkenheid van de rechter-commissaris in beginsel niet nodig. Echter, de Hoge Raad heeft in smartphonearrest (ECLI:NL:HR:2017:584) het volgende geoordeeld:
2.8.
Mede gelet op het vooralsnog ontbreken van een daarop toegesneden wettelijke regeling verdient het volgende opmerking. De bevoegdheid tot inbeslagneming van voorwerpen en de daarin besloten liggende bevoegdheid tot het verrichten van onderzoek aan die voorwerpen kunnen op grond van art. 95 en Pro 96 Sv ook worden uitgeoefend door de op grond van art. 148 Sv Pro met het gezag over de opsporing belaste officier van justitie, nu deze blijkens art. 141, aanhef en onder a, Sv met opsporing is belast. Voorts kunnen die bevoegdheden op grond van art. 104, eerste lid, Sv worden uitgeoefend door de rechter-commissaris. De hier genoemde wettelijke bepalingen bieden tevens de grondslag voor het verrichten van onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen door de officier van justitie respectievelijk de rechter-commissaris, indien de inbeslagneming is geschied door een opsporingsambtenaar.
In zo een geval vormen de genoemde wettelijke bepalingen een toereikende grondslag voor onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen - waaronder elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken - dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt. Daarbij valt - in het licht van art. 8 EVRM Pro - aan onderzoek door de rechter-commissaris in het bijzonder te denken in gevallen waarin op voorhand is te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend zal zijn.
2.3.3.
Uit dit oordeel zou in het algemeen kunnen worden afgeleid dat een algemene wettelijke bevoegdheid van een gewone opsporingsambtenaar aan een vorm van toezicht door de officier van justitie is onderworpen als deze een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt, of aan een vorm van toezicht door de rechter-commissaris als op voorhand te voorzien is dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend zal zijn. Gelet op het feit dat de Hoge Raad hier slechts oordeelt over onderzoek aan in beslag genomen voorwerpen en bovendien de Hoge Raad geen wetgever is (zie ook artikel 12 van Pro de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk), moet behoedzaam met dit oordeel van de Hoge Raad worden omgegaan. Er vallen niet eenvoudig conclusies uit te trekken voor
dezezaak.
2.3.4.
Als er echter al een conclusie kan worden getrokken, dan is dat, dat het lezen van e-mails niet valt onder het begrip “zeer ingrijpende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer”. Daaruit volgt dat
alser een vorm van toezicht nodig is, het niet de rechter-commissaris is die dat moet uitvoeren. Als dus uit zou moeten worden gegaan van een jurisprudentieel voorgeschreven toezicht op de uitoefening van een bestaande, algemene, wettelijke bevoegdheid, moet de vordering worden afgewezen, omdat de officier van justitie zelf bevoegd is.
2.4.
Conclusie
Beide routes leiden tot hetzelfde resultaat: afwijzing van de vordering. Daarom wordt aldus besloten.

3..[…]

[…]

4..Beslissing

De rechter-commissaris
- wijst de vordering af;
[…]
Aldus gedaan te Rotterdam op […].
mr. drs. J. van den Bos,
rechter-commissaris