ECLI:NL:RBROT:2017:840

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 januari 2017
Publicatiedatum
2 februari 2017
Zaaknummer
515935
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 Wet beëdigde tolken en vertalersArt. 19 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging schriftelijke aanwijzing en oplegging dwangsom in omgangsregeling minderjarige

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht de rechtbank om een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen die bepaalt dat de bezoeken tussen de vader en de minderjarige niet langer alleen op het kantoor van de instelling plaatsvinden, maar ook op andere, meer natuurlijke locaties zoals een speeltuin. Tevens werd verzocht een dwangsom op te leggen aan de moeder voor het niet naleven van deze aanwijzing.

De moeder verzette zich tegen de wijziging van de bezoekregeling en uitte zorgen over de veiligheid van de minderjarige tijdens de bezoeken, mede vanwege het meenemen van vrienden door de vader en haar wantrouwen jegens hem. De vader had volgens de moeder meerdere keren vrienden meegenomen naar de bezoeken, wat niet was toegestaan.

De rechtbank nam kennis van het advies van het Kennis- en Servicecentrum voor Diagnostiek (KSCD) dat de bezoeken ook buiten het kantoor moesten plaatsvinden. Ondanks het verzet van de moeder oordeelde de kinderrechter dat het in het belang van de minderjarige is om haar vader ook in meer gewone omstandigheden te leren kennen, wat haar ontwikkeling ten goede zal komen.

De aanwijzing werd bekrachtigd en aan de moeder werd een dwangsom van € 25,- per niet doorgang gevonden begeleid bezoek opgelegd, met een maximum van € 500,-, om naleving af te dwingen. De rechtbank wees het overige verzoek af. De vader werd niet met een dwangsom belast omdat onvoldoende bleek dat hij niet bereid was de aanwijzing na te leven.

Uitkomst: De rechtbank bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing en legt aan de moeder een dwangsom op bij weigering van medewerking aan de bezoekregeling buiten kantoor.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
zaakgegevens : C/10/515935 / JE RK 16-3767
datum uitspraak: 5 januari 2017

beschikking bekrachtiging schriftelijke aanwijzing en oplegging dwangsom

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen de GI,
gevestigd te Rotterdam,
betreffende

[Naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [roepnaam]
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[Naam moeder] , hierna te noemen de moeder,

wonende op een bij de GI bekend adres,

[Naam vader] , hierna te noemen de vader,

wonende te [woonplaats] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 1 december 2016, ingekomen bij de griffie op 5 december 2016;
- het verweerschrift met bijlagen van mr. E.J.M. Habets, de advocaat van de moeder, van 30 december 2016, ingekomen bij de griffie op 2 januari 2017.
Op 5 januari 2017 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.
Gehoord zijn:
- de moeder, bijgestaan door mr. E.J.M. Habets;
- een vertegenwoordigster van de GI, mw. [naam] .
Opgeroepen en niet verschenen is:
- de vader.
Aangezien de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de Turkse taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van mw. E. Keskindemir, tolk in de Turkse taal.
De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers.

De feitenHet ouderlijk gezag over [de minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.

[de minderjarige] woont bij de moeder.
Bij beschikking van 24 oktober 2016 is de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot
12 november 2017.
De GI heeft op 24 november 2016 een schriftelijke aanwijzing gegeven, zowel aan de vader als aan de moeder, betreffende de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Hierin is het volgende opgenomen:
Vanaf woensdag 14 december 2016 zullen de bezoeken niet meer alleen op kantoor plaatsvinden. De bezoeken zullen alleen tussen vader en [de minderjarige] plaatsvinden (onder begeleiding van de jeugdbeschermer) en er zullen geen familieleden of vrienden bij de bezoeken aanwezig zijn.

Het verzoekDe GI heeft bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing verzocht.Tevens wordt verzocht een dwangsom op te leggen van € 50,- per begeleid bezoek, dat de ouder de aanwijzing niet opvolgt.

De GI heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. [de minderjarige] ziet haar vader nu een keer per maand op het kantoor van de GI. Dat is al zo gedurende de laatste drie jaar. Er is onderzoek verricht door het Kennis- en Servicecentrum voor Diagnostiek (KSCD). Het KSCD heeft geadviseerd de bezoeken ook buiten te laten plaatsvinden. Hoewel [de minderjarige] bij de bezoeken op de vader af rent en de bezoeken goed verlopen, wordt het in het belang van [de minderjarige] wenselijk geacht om de bezoeken ook te laten plaatsvinden in een meer natuurlijke omgeving, bijvoorbeeld in een speeltuin. De moeder wil hier niet aan meewerken, waardoor de GI thans bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing verzoekt. Vader heeft drie keer vrienden meegenomen naar zijn bezoeken aan [de minderjarige] . Deze vrienden hebben niet aan die bezoeken mogen deelnemen.

Het standpunt van de verschenen belanghebbende

Namens en door de moeder is ter zitting naar voren gebracht dat zij de vader niet vertrouwt. De moeder is bang dat de vader tijdens de bezoeken de mogelijkheid krijgt om [de minderjarige] aan te raken. Daarnaast neemt de vader vaak vrienden mee naar het bezoek. Hoewel in de schriftelijke aanwijzing is opgenomen dat de bezoeken alleen tussen vader en [de minderjarige] zullen plaatsvinden, vertrouwt de moeder er niet op dat de jeugdbeschermer de vrienden van de vader kan weren van de bezoeken. Bovendien veroorzaken de bezoeken tussen [de minderjarige] en haar vader een grote belasting op het gezinsleven van de moeder en [de minderjarige] . Daarom wordt verzocht het verzoek van de GI af te wijzen.

De beoordelingUit de stukken blijkt dat de vader en de moeder van [de minderjarige] een gearrangeerd huwelijk met elkaar zijn aangegaan, waarna de moeder in 2010 naar Nederland is gekomen. In 2011 is [de minderjarige] geboren. In 2013 wil de moeder aangifte doen tegen de vader vanwege huiselijk geweld en seksueel misbruik van [de minderjarige] . Sinds dat jaar is er permanent hulpverlening ingezet voor de moeder en [de minderjarige] . In 2014 zijn de ouders volgens de Nederlandse wet, en in 2016 volgens de Turkse wet, gescheiden. Bij beschikking van 26 maart 2014 is [de minderjarige] toevertrouwd aan de moeder en is bepaald dat de vader éénmaal per vier weken begeleid contact mag hebben met [de minderjarige] . Die contacten vinden tot nu toe uitsluitend plaats ten kantore van de GI.

Het KSCD heeft op verzoek van de GI onderzoek gedaan naar de ontwikkeling van [de minderjarige] , haar relatie met haar ouders en hun mogelijkheden. Het KSCD heeft daarna, uit privacy-overwegingen, twee rapporten opgesteld, waarbij in het ene rapport informatie is opgenomen over de vader en in het andere rapport over de moeder. Noch deze rapporten, noch delen daarvan zijn door de GI in deze procedure overgelegd. De moeder heeft bij haar verweerschrift wel het op haar betrekking hebbende rapport overgelegd en heeft de kinderrechter verzocht niet te beslissen zonder kennis te hebben genomen van het rapport met betrekking tot de vader.
De kinderrechter heeft vervolgens voorafgaand aan de zitting ambtshalve kennisgenomen van een document getiteld “beantwoording van de onderzoeksvragen”, welk document deel uitmaakt van het dossier op grond waarvan op 24 oktober 2016 de beslissing is genomen de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen. Omdat dit document onderdeel uitmaakt van genoemd dossier en zowel de vader als de moeder in die procedure belanghebbende waren, veronderstelde de kinderrechter dat zij elk van dit stuk hadden kennisgenomen. Het document “beantwoording van de onderzoeksvragen” bevat de aan het KSCD gestelde vragen 1 tot en met 9, 16 en 19 tot en met 24 en de antwoorden daarop zoals die kennelijk zijn opgenomen in de eerder genoemde rapportages. Ter zitting is gebleken dat de vragen en antwoorden die ontbreken, betrekking hebben op de persoon van de ouders.
Kennelijk heeft het KSCD gekozen voor deze wijze van rapporteren uit “privacy-overwegingen”. Wat daar ook van zij, de rechter kan geen beslissing nemen mede op grond van stukken die niet bij alle partijen bekend zijn, tenzij partijen daar uitdrukkelijk in toestemmen (artikel 19 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en ook ECLI:NL:RBROT:2013:9494). Het verzoek van de moeder om kennis te nemen van het rapport met betrekking tot de vader, zal daarom niet worden gehonoreerd, nu dit stuk geen deel uitmaakt van het dossier en de vader niet uitdrukkelijk daarmee heeft ingestemd.
Hoewel de schriftelijke aanwijzing zich niet eenvoudig laat lezen, is ter zitting gebleken dat zowel de moeder en de GI de aanwijzing beschouwen als een besluit van de GI de contacten tussen [de minderjarige] en de vader ook te laten plaatsvinden op een andere locatie dan het kantoor van de GI. De overige voorwaarden met betrekking tot de invulling van die contacten blijven daarbij onveranderd.
Niet betwist is dat het KSCD heeft geadviseerd tot een dergelijke wijziging in de wijze van contact tussen de vader en zijn dochter.
Ter zitting is gebleken dat de moeder zich verzet tegen elke vorm van contact tussen [de minderjarige] en haar vader en dat zij bang is dat voorliggende wijziging uiteindelijk zal leiden tot een meer uitgebreide vorm van contact. De moeder heeft aangegeven bij bekrachtiging van de aanwijzing een eventuele dwangsom wel te zullen betalen.
De situatie van [de minderjarige] is niet eenvoudig. Haar ouders zijn niet in staat met elkaar te overleggen over wat goed is voor [de minderjarige] en zij wantrouwen elkaar diep. Beide ouders lijken te kampen te hebben met persoonlijke problematiek. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat [de minderjarige] zowel loyaal is naar haar moeder als naar haar vader. Dat laatste kan zij alleen laten zien in een daarvoor ingerichte ruimte ten kantore van de GI. Een situatie die al bijna drie jaar voortduurt. Met de GI is de kinderrechter van oordeel dat [de minderjarige] haar vader ook in andere, meer gewone omstandigheden, zoals bijvoorbeeld een speeltuin of een kinderboerderij, moet leren kennen. Dat zal het beeld dat zij van haar vader heeft ten goede komen en haar ontwikkeling bevorderen. Daarbij is het evenwel van groot belang dat de ouders, zowel de vader als de moeder, zich aan de daarbij gemaakte en nog te maken afspraken houden. De gemaakte afspraken houden onder meer in dat de bezoeken altijd begeleid worden door de GI of een aanverwante organisatie, dat er geen derden bij aanwezig zijn, ook niet in de omgeving, en dat de communicatie tussen de vader en [de minderjarige] zo veel mogelijk in het Nederlands verloopt.
Nu de moeder ter zitting heeft aangegeven niet in te stemmen met de aanwijzing, zal de aanwijzing worden bekrachtigd in die zin dat de contacten tussen [de minderjarige] en haar vader ook op een andere locatie dan ten kantore van de GI kunnen plaatsvinden en zal aan de moeder een dwangsom worden opgelegd voor elke keer dat zij weigert haar medewerking aan die contacten, ten kantore van GI of op een andere locatie, te verlenen.
Gelet op de financiële situatie van de moeder zal de kinderrechter deze dwangsom vaststellen op € 25,- voor ieder door de GI vastgesteld begeleid bezoek tussen [de minderjarige] en de vader dat niet - of slechts ten dele - doorgaat, door toedoen van de moeder, met een maximum van € 500,-. Daarmee wordt benadrukt dat de kinderrechter groot belang hecht aan de uitvoering van de contacten zoals de GI die nu voorstaat. Het belang van [de minderjarige] verzet zich niet tegen het opleggen van een dwangsom van deze grootte en met deze beperking.
Onvoldoende is gebleken dat de vader niet bereid is contacten tussen hem en [de minderjarige] , onder de door de GI gegeven voorwaarden, ook op andere locaties dan ten kantore van de GI te laten plaatsvinden. Daarom is er geen aanleiding ook ten aanzien van de vader de nakoming van de aanwijzing door het opleggen van een dwangsom af te dwingen.

De beslissing

De kinderrechter:
bekrachtigt de aanwijzing van 24 november 2016 in die zin dat de contacten tussen [de minderjarige] en haar vader ook op een andere locatie dan ten kantore van de GI kunnen plaatsvinden;
legt aan de moeder een dwangsom op van € 25,- te betalen aan de GI voor ieder door de GI vastgesteld begeleid bezoek tussen [de minderjarige] en de vader dat niet - of slechts ten dele - doorgaat door toedoen van de moeder, tot een maximum van € 500,- is bereikt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. van Driel, kinderrechter, in tegenwoordigheid van
L.F. Verhaart als griffier en in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2017.