Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de meervoudige kamer van 27 maart 2017 in de zaak tussen
[eiser] , te Schiedam, eiser,
Procesverloop
€ 40.971,20 aan Wet WIA-uitkering heeft ontvangen zonder dat hij hier recht op had en dit bedrag aan verweerder moet terugbetalen.
Overwegingen
1 januari 2011 diverse loonaangiften gedaan voor diverse personen. De loonaangiften over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met september 2011 lijken daarbij, aldus de rapporteur, op het eerste oog plausibel. Met ingang van 1 januari 2012 zijn er loonaangiften (correcties) gedaan. Deze aangiften zijn onder andere gedaan voor personen die in eerste instantie in het betreffende tijdvak, waarop de aangiften zien, niet op de loonlijst hebben gestaan en de aan deze personen toegekende lonen zijn beduidend hoger ten opzichte van de aangiften over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met september 2011. Daar komt, volgens de rapporteur, nog bij dat de loonaangiften (correcties) met ingang van 1 januari 2012 door een ander persoon zijn gedaan. De rapporteur heeft vervolgens de afweging gemaakt om zich bij zijn onderzoek op deze loonaangiften (correcties) te richten.
“Jaar 2011
2 december 2015 zijn neergelegd. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, in een situatie die vergelijkbaar is met de situatie van eiser, volgt dat, in het geval dat verweerder een grondig onderzoek heeft verricht, het in beginsel op weg van eiser ligt om aan de hand van objectiveerbare gegevens aan te tonen dat wél recht op uitkering bestaat. Eiser heeft dit echter nagelaten, aldus verweerder.
€ 92.952,88. De gemachtigde van verweerder heeft dit laatste ter zitting desgevraagd beaamd. Tevens heeft hij toegezegd dit terug te zullen koppelen aan de afdeling die de invorderingen afwikkelt.
16 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4827) volgt dat bij de beoordeling hiervan van belang is, dat het bestreden besluit een belastend besluit betreft, waarbij het aan verweerder is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren, brengt in dit geval mee dat verweerder feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is, dan wel wordt gemaakt, dat geen sprake was van een dienstbetrekking. Bij de vaststelling van de feiten die daarvoor van belang zijn, komt in beginsel een groot gewicht toe aan de processen-verbaal van bevindingen van één of meer opsporingsambtena(a)r(en) en aan de verklaring van een betrokkene die ten overstaan van één of meer opsporingsambtena(a)r(en) is afgelegd en door de betrokkene is ondertekend. Indien op grond van de door het UWV gepresenteerde feiten aannemelijk is dat eiser ten tijde van belang geen dienstbetrekking in de zin van de sociale verzekeringswetten heeft vervuld, dan ligt het op de weg van eiser de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.
- het dienstverband van eiser met [werkgever] stond geregistreerd in SUWINET;
- voornoemd dienstverband van korte duur was;
- sprake was van een hoog loon in verhouding tot de functie en het arbeidsverleden van eiser;
- eiser (samen met nog 11 andere personen) op een later tijdstip is aangemeld bij de Belastingdienst, vooral door middel van correcties;
- de uitkering van eiser is betaald op verschillende bankrekeningnummers, waaronder op een bankrekeningnummer op naam van een persoon die eerder betrokken is geweest bij een onderneming waar, vanuit gefingeerde dienstverbanden uitkeringen zijn toegekend en verstrekt;
- de namen van de personen die de loonaangiften hebben gedaan eerder betrokken zijn geweest bij ondernemingen waar, vanuit gefingeerde dienstverbanden uitkeringen zijn toegekend en verstrekt.
[rechercheur] in het door hen opgemaakte proces-verbaal van verhoor van eiser geen bijzonderheden hebben vermeld ten aanzien van eiser (zijn gedrag) en dat eiser op de eerste vraag van het verhoor hoe het nu met hem gaat, heeft geantwoord: