Eiser ontving een WW-uitkering en een gedeeltelijke WAO-uitkering. Verweerder legde meerdere maatregelen op wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten in de periode december 2014 tot februari 2015, waaronder verlagingen van de WW-uitkering. Tevens werd het ZW-dagloon vastgesteld en later herzien.
Eiser voerde aan dat hij vanwege medische redenen en afspraken met verweerder niet hoefde te solliciteren, en dat verweerder had moeten onderzoeken of hij ontheven kon worden van de sollicitatieplicht. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij was ontheven van de sollicitatieplicht of dat dringende redenen bestonden om af te zien van maatregelen. De maatregelen zijn daarom terecht opgelegd.
Wel stelde de rechtbank vast dat het ZW-dagloon onjuist was vastgesteld op € 61,16 en dat het besluit onrechtmatig was in zoverre. Verweerder had het dagloon later verhoogd naar € 93,36. De rechtbank vernietigde dat deel van het besluit, veroordeelde verweerder tot betaling van wettelijke rente over het verschil en tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.