De zaak betreft een beroep van een eigenaar van een commerciële schermschool tegen een besluit van de gemeente Zoetermeer waarin is vastgesteld dat de exploitatie van sportaccommodaties en maatschappelijk vastgoed plaatsvindt in het algemeen belang, waardoor de Mededingingswet hoofdstuk 4b niet van toepassing is.
Eiser klaagt dat de tarieven van de gemeente niet kostendekkend zijn en dat dit leidt tot oneerlijke concurrentie. De gemeente stelt dat verhoging van tarieven ten koste gaat van de sociale en volksgezondheidsbelangen van de inwoners en dat het maatschappelijke belang zwaarder weegt dan de belangen van ondernemers. De rechtbank beperkt de beoordeling tot de vraag of de belangenafweging redelijk is en of eiser voldoende is gehoord.
De rechtbank oordeelt dat de gemeente in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen, gezien de beperkte geschiktheid van de commerciële sportzaal en het belang van betaalbare sportaccommodaties voor verenigingen. Wel wordt het besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering van de belangenafweging in het bestreden besluit zelf. De rechtsgevolgen blijven in stand. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten.