Eiser verzocht om een tegemoetkoming in planschade op grond van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), omdat hij schade zou lijden door gewijzigde bouwmogelijkheden op het buurperceel. Verweerder kende aanvankelijk een bedrag van €7.500,- toe, vermeerderd met wettelijke rente, en verklaarde het bezwaar ongegrond. Eiser stelde dat de planologische vergelijking onjuist was en dat de bouwmogelijkheden op het buurperceel niet voorzienbaar waren.
De rechtbank oordeelde dat de juiste planologische situatie voor de vergelijking die gold ten tijde van de aankoop van de woning in 1997 was, namelijk het bestemmingsplan “Landelijk gebied Oostvoorne”. De rechtbank stelde dat eiser rekening had moeten houden met de bouwmogelijkheden op het buurperceel, mede omdat hij destijds een gemeenteambtenaar had geraadpleegd. Er was geen sprake van een rechtens te honoreren toezegging die het vertrouwensbeginsel zou rechtvaardigen.
Ten aanzien van de hoogte van de tegemoetkoming vond de rechtbank het advies van de door verweerder ingeschakelde deskundige SAOZ voldoende onderbouwd en niet onbegrijpelijk. De door eiser overgelegde taxaties waren niet relevant voor de planologische vergelijking. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.