ECLI:NL:RBROT:2015:7429
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering bijstand wegens gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg
Eiseres vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb), maar haar aanvraag werd afgewezen omdat zij een gezamenlijke huishouding vormde met de hoofdbewoner en het gezamenlijke inkomen hoger was dan de bijstandsnorm.
De rechtbank bevestigde dat eiseres en de hoofdbewoner hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en dat er sprake was van wederzijdse zorg. Dit bleek uit het gebruik van de woning en voorzieningen door eiseres, haar bijdrage aan maaltijden en was voor de hoofdbewoner, en het ontbreken van een zakelijke huurrelatie.
De door eiseres overgelegde huurbetalingen en een niet-ondertekend onderhuurcontract konden dit oordeel niet veranderen. Ook de stelling dat de hoofdbewoner als niet-beëdigde tolk optrad werd verworpen, omdat hij de Nederlandse taal goed beheerst.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de terugvordering van voorschotten. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de weigering van bijstand en terugvordering van voorschotten wegens gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg.