Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de meervoudige kamer van 25 juni 2015 in de zaak tussen
de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
27 mei 2008 was afgegeven en een geldigheidsduur tot 1 januari 2014 had.
Op 21 oktober 2013 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot verlening van een indienststellingsvergunning. In geschil is of verweerder die aanvraag terecht heeft afgewezen.
31 december 2004 ook feitelijk waren toegelaten tot een hoofdspoorweg. Wel heeft eiseres een op 18 december 2006 door de toenmalige minister van Verkeer en Waterstaat voor de locomotieven afgegeven inzetcertificaat overgelegd. Daarin is vermeld:
“het betrokken voertuig wordt op grond van artikel 122 lid 1 van Pro de spoorwegwet aangemerkt als in overeenstemming met de onderdelen a en b van artikel 36 lid 1 van Pro de spoorwegwet”. Dit duidt erop dat de destijds verantwoordelijke bewindspersoon op
31 december 2004 overeenkomstig de destijds geldende voorschriften kon worden gebruikt op een hoofdspoorweg, een toelatingscertificaat was verleend. Die uitleg van artikel 39a, onder a, van het Besluit spoorverkeer zou dan ook tot een niet gerechtvaardigde en daarom onaanvaardbare rechtsongelijkheid leiden.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit;
- verklaart verweerder onbevoegd om op de aanvraag van eiseres van 21 oktober 2013 tot verlening van een indienstellingsvergunning voor de locomotieven te beslissen;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding aan eiseres van de door haar geleden schade tot een bedrag van € 5.309,-;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 328,- vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 2.205,-, te betalen aan eiseres.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2015.