ECLI:NL:RBROT:2014:9562
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Onterechte weigering WW-uitkering wegens niet-evenredig onvoorwaardelijk ontslag
Eiser was tot 1 januari 2012 werkzaam bij zijn werkgever en was daarna herplaatsingskandidaat. Op 17 april 2013 legde de werkgever hem onvoorwaardelijk ontslag op, waarna eiser op 10 juli 2013 een WW-uitkering aanvroeg. Verweerder wees de uitkering af wegens verwijtbare werkloosheid, gebaseerd op een dringende reden in de zin van artikel 7:678 BW Pro.
Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen zowel het ontslag als de weigering van de uitkering. De rechtbank oordeelde in een afzonderlijke uitspraak dat het ontslag niet evenredig was, waardoor de werkloosheid niet verwijtbaar is. Dit betekent dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat er een arbeidsrechtelijke dringende reden was.
De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Het oordeel is gebaseerd op vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep over de beoordeling van verwijtbare werkloosheid en de toepassing van artikel 24 WW Pro in samenhang met artikel 7:678 BW Pro.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd wegens onterecht aangenomen verwijtbare werkloosheid.