Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
[verzoeker 1], te [plaats],
De Nederlandsche Bank N.V. (DNB), te Amsterdam, verweerster,
Rechtbank Rotterdam
Vennootschap X had een vergunning voor het verrichten van trustdiensten die door De Nederlandsche Bank (DNB) per 28 juli 2014 werd ingetrokken. Verzoekers, aandeelhouders van vennootschap X, maakten bezwaar tegen dit besluit en vroegen om een voorlopige voorziening om de intrekking te schorsen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekers geen rechtstreeks belang hebben bij het besluit, omdat zij slechts een afgeleid financieel belang als aandeelhouders hebben en niet de meerderheid of beslissende zeggenschap bezitten. Ook het argument dat de intrekking een toezichtsantecedent vormt dat hen later kan schaden, werd verworpen omdat dit te ver verwijderd is van het bestreden besluit en toekomstige besluiten nog moeten worden genomen.
Verder werd geoordeeld dat het eigendomsrecht van de aandeelhouders niet wordt geschonden, aangezien het besluit geen invloed heeft op het eigendom van de aandelen, maar hooguit op de waarde daarvan. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen wegens het ontbreken van een rechtstreeks belang.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de vergunning van vennootschap X wordt afgewezen wegens gebrek aan rechtstreeks belang van de aandeelhouders.